Column

De term cultuurmarxisme is een nieuw hondenkoekje

Virginia Woolf en Johan Huizinga hebben vast Marx gelezen. Allebei beschrijven ze de geschiedenis van de geest vanuit de materie. Je hebt die geniale passages in de roman Orlando waarin Woolf beschrijft welke effecten de klimaatverandering door de eeuwen heeft gehad op groente en dus op de poëzie en de moraal.

Vanuit haar eigen droge, zakelijke twintigste eeuw kijkt ze terug naar de vochtige negentiende eeuw, waarin de klimop woekerde, de mannen baarden lieten staan en koningin Victoria van de weeromstuit steeds fatsoenlijker werd. En Woolf draait zich nog verder om, helemaal naar het vitale tijdperk van de elizabethanen, toen de kou zo hevig toesloeg dat de dichters vanzelf harder gingen dichten en de moraal onvermurwbaar was. Alles was toen zo anders, zegt ze. „De voze complicaties en tweeslachtige gevoelens van onze compromissen zoekende en aan twijfels onderhevige tijd waren hun vreemd. Geweld was de enige norm. Een bloem bloeide en verwelkte. De zon ging op en ging weer onder.”

Deze geschiedsopvatting van Woolf uit 1928 kom je ook tegen in Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen uit 1919. Hier kijken we nog verder terug. „Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu.” Er waren scherpere tegenstellingen tussen zomer en winter, tussen licht en duister, tussen rampen en geluk. Het leven was bonter, de mens vrolijker en wreder, een zacht bed had nog een hoger genotsgehalte, schrijft Huizinga. „Er was in het dagelijks leven voortdurend een onbegrensde ruimte voor gloeiende hartstocht en kinderlijke fantasie.”

Eerlijk gezegd schrijven Woolf en Huizinga allebei nogal verlekkerd over die tijden waarin mensen elkaar het hoofd insloegen. Want kleurrijk was het samenleven toen wel. Een en al ongetemperde levenslust. Maar de platte lol, het vijanddenken, de wreedheid en de genotzucht bleven achter in de Middeleeuwen en met het humanisme van Erasmus zette de intellectuele beschaving in. De vitaliteit verdween. Erasmus is nog maar eenenvijftig jaar oud als hij schrijft dat hij zijn leven voltooid acht. Hij is „niet zozeer begerig naar het leven” en heeft „naastenbij reeds genoeg geleefd”. Al krijgt hij weer ‘bijna lust’ nu hij een gouden eeuw ziet naderen vol rechtschapenheid. Huizinga fronst. Die vindt dit laatste qua lust „een weinig stijfjes”.

De innige verwevenheid van klimaat, economische situatie, kunst en temporele zeden zou je marxistisch kunnen noemen. Waar het klassiek liberalisme mensen als losse deeltjes door de ruimte ziet zweven, zijn ze in het marxisme ingekaderd door hun omstandigheden en de omgevingsfactoren. Vervolgens kun je, met Marx, proberen hun situatie te verbeteren. Sommige groepen hebben een slechter lot getroffen dan andere en daar kun je iets aan doen.

Mij persoonlijk lijkt het een basisidee waar je weinig bezwaar tegen kunt hebben. Maar tegelijkertijd moet je toegeven dat het streven ook nogal kleurloos klinkt, en stijfjes. Misschien duiken daarom van tijd tot tijd denkers op die geen boodschap hebben aan zoveel beschaving. Die – in Huizinga’s woorden – eer en rijkdom inniger genieten naarmate ze feller afsteken tegen jammerende armoede en verworpenheid. Dat klinkt inderdaad minder saai, al is het wel weer erg onaardig.

Nu ons de term cultuurmarxisme als een nieuw hondenkoekje wordt toegeworpen, zie je dat in onze tijd de spanning tussen vitaliteit en rechtvaardigheid oplaait. Aan de ene kant is er het verlangen naar een gouden eeuw vol rechtschapenheid, aan de andere kant is er het verlangen naar een vitale samenleving waarin je elkaar weliswaar meedogenloos op het hoofd slaat, maar waarin het geluk fel is en je niet al op je eenenvijftigste ‘reeds genoeg’ hebt geleefd.

Je kunt wijzen op de achterstelling van maatschappelijke groepen en aandringen op bescherming ervan. Dat heet nu opeens cultuurmarxisme en ironisch genoeg kom je dat cultuurmarxisme juist ook tegen bij de rechtse witte mannen die klagen dat ze worden ‘overspoeld’ door minderheden en die vanuit de Tweede Kamer beweren dat ze niet voldoende worden vertegenwoordigd. Ze hebben niet echt een sterk punt. Zodra je volksvertegenwoordiger bent, kun je niet langer zeuren dat het volk niet wordt vertegenwoordigd. Doe je werk.

Maar hoe nobel het allemaal ook moge zijn – bescherming van achtergestelde groepen, vertegenwoordiging, voze complicaties – er sluipt nu opeens ook iets vitaals, iets wreeds en middeleeuws in de eenentwintigste eeuw. We zullen de scherpe tegenstellingen moeten leren herkennen in hun samenspraak: zowel de uitwassen van het politiek correcte denken ter linkerzijde als de flirt met extremistische ideeën ter rechterzijde.

Maxim Februari is jurist en columnist.