Recensie

Cincinnati Symphony Orchestra heeft grote, glanzende klank

Het Cincinnati Symphony Orchestra, een van de oudste Amerikaanse orkesten, deed deze week Nederland aan.

Foto Anna van Kooij

Het Cincinnati Symphony Orchestra wordt doorgaans niet tot de top van de Amerikaanse orkesten gerekend. Daar aan de top is het ook nogal dringen. Het CSO, opgericht in 1895, is wel een van de oudste orkesten van de VS en naar verluidt ooit het eerste dat, gesponsord door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, op wereldtournee ging. Die traditie houdt het CSO hoog: eerder dit jaar was het al in Azië, en deze weken deed het op Europese tournee eerst Eindhoven aan (t.g.v. het 25-jarig jubileum van het Concertgebouw aldaar) en maandagavond Utrecht, geleid door zijn Franse chef-dirigent Louis Langrée.

Zwijmelstrijkers

Met de On the waterfront-suite van Bernstein bracht het orkest van thuis een geweldige binnenkomer mee. Bernstein schreef de muziek voor de gelijknamige film, maar omdat er naar zijn smaak te veel in geknipt werd stelde hij deze suite samen. Alles zit erin: jazzy fanfares, Stravinsky-achtig gebeuk, zwijmelstrijkers en uiteraard Bernsteins gepatenteerde romantische melodieën.

Het CSO betoonde zich hier een veelzijdig en soepel schakelend ensemble, met een aantal goede solisten, zoals de heldere hoorn en de warme, bijna romige fluit. Het orkest beschikte over een grote, glanzende klank, en het vlechtwerk van thema’s bij Bernsteins apotheose klonk een beetje slordig, maar wel heel imposant. Anderzijds was de ritmische afstemming niet steeds optimaal, en in dynamisch opzicht werd erg weinig beroep gedaan op het pianissimo – terwijl het orkest sporadisch liet horen heel mooi zacht te kunnen spelen.

Massieve Brahms

Brahms Eerste symfonie opende duister, groots en met veel drang. Maar gaandeweg drongen andere adjectieven naar de voorgrond: massief, weinig lucht. Langrée hamerde dusdanig op de grandiositeit van het werk dat het wat vermoeiend werd. Je verlangde naar de energieke, atletische Brahmsen van Yannick bij het Rotterdams Philharmonisch.

Heel bijzonder was wel dat de eerste violen bij Brahms versterking kregen van niemand minder dan Renaud Capuçon. De Franse topviolist had voor de pauze nog krachtig gesoleerd in een eveneens wat plechtstatige uitvoering van Bruchs Vioolconcert. Capuçon ruilde vervolgens zijn witte solistenjasje voor een orkesttenue, kreeg een eigen lessenaar achterin en zat (bijna) incognito zichtbaar te genieten.