Waarom de overheid geen greep krijgt op islamitisch oliegeld

Liefdadigheidsinstellingen uit Koeweit geven geld aan moskeeën in Nederland in ruil voor invloed. Dat blijkt lastig tegen te gaan.

De Al Fitrah-moskee in Utrecht lichtte de gemeente onjuist in over de financiële relatie met een organisatie uit Koeweit. Foto Werry Crone

Koeweitse liefdadigheid is er niet alleen voor armen en zieken. Ook welvarende Europese moslims kunnen rekenen op een helpende hand vanuit de Golf bij het vervullen van hun wensen.

Nederlandse moskeeorganisaties hengelden de afgelopen jaren naar Koeweits oliegeld voor allerlei projecten. De één had het nodig voor de aankoop van een nieuw moskeegebouw, de ander om het toilettenblok te vernieuwen en weer een ander om de Koran te verspreiden.

Zo zijn zeker achttien Nederlandse islamitische organisaties geholpen door Koeweitse liefdadigheidsorganisaties, vaak gerund door fundamentalistische geestelijken, zakenmannen en oud-politici.

Hun steun gaven ze niet voor niets: volgens ingewijden oefenen dergelijke financiers vaak invloed uit op wie hun subsidie ontvangt. Ze bepalen bijvoorbeeld welke predikers aan bod komen in de moskee. ‘Liefdadigheid’ wordt dan een middel om invloed te verwerven.

‘Liefdadigheid’ wordt dan een middel om invloed te verwerven

De overheid is er daarom veel aan gelegen zicht te krijgen op welke buitenlandse partijen achter de donaties zitten – en wie er dus mogelijk aan de touwtjes trekt in moskeeën. Tot nu toe is dit niet gelukt, ondanks beloften aan de Tweede Kamer. Dat ligt aan de weinig transparante opstelling van moskeeën, maar ook aan een overheid die worstelt met de vrijheid van godsdienst.

Dat sommige moskeeën hun inkomstenbron verhullen, blijkt mede uit het overzicht van donaties dat Koeweit in vertrouwen heeft gedeeld met Nederland. Een deel van die giften was nog niet bekend bij de overheid. „Moskeeën zijn weinig transparant, omdat ze bang zijn dat ze onder een vergrootglas komen te liggen zodra ze vertellen wie hen subsidieert”, zegt Stijn Hoorens van adviesbureau Rand. Hij onderzocht in 2013 in opdracht van het kabinet de buitenlandse financiering van islamitische centra en kwam tot de conclusie dat hier geen zicht op valt te krijgen.

Gebrek aan openheid

Veelzeggend voorbeeld van die gesloten houding is de manier waarop een van de ontvangers van het Koeweitse geld, de moskee Al Fitrah, informatie achterhield voor de gemeente Utrecht. Het Algemeen Dagblad berichtte vorig jaar dat medewerkers van de liefdadigheidsinstelling Revival of Islamic Heritage Society (RIHS) online hadden opgeroepen geld te doneren aan Al Fitrah. Onduidelijk bleef of RIHS zélf geld had overgemaakt aan de moskee, wat omstreden zou zijn omdat de organisatie in verband wordt gebracht met terrorisme. De moskee verzekerde de gemeente dat zij géén financiële relatie heeft met RIHS. Uit het Koeweitse overzicht blijkt nu dat die relatie er wel is.

Bij gebrek aan openheid van moskeeën is Nederland aangewezen op de vrijwillige medewerking van de Golfstaten. Nederland heeft daarbij één voordeel: Golfstaten zijn erg beducht voor hun imago en doen er alles aan om niet in verband te worden gebracht met terrorisme. Sinds duidelijk is dat weldoeners onder het mom van liefdadigheid terrorisme sponsoren, is het interne toezicht in Koeweit verscherpt. Er mag geen contant geld meer worden ingezameld. Ook moeten transacties de goedkeuring verkrijgen van de Koeweitse overheid.

Golfstaten zijn erg beducht voor hun imago

Sinds enige tijd maakt Koeweit contact met het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken wanneer er plannen zijn voor de financiering van een moskee. „Wat is de status van deze organisatie?” luidt in zo’n geval de vraag aan Buitenlandse Zaken. Vervolgens moet het ministerie aangeven of het wenselijk is dat zo’n moskee financiering ontvangt.

Juist daar zit de crux, want kán een overheid wel bepalen of een moskee hier gewenst is? Het levert moeizame diplomatieke contacten op, waarbij vertegenwoordigers van Golfstaten zich hardop afvragen welke criteria Nederland eigenlijk hanteert bij het dwarsbomen van financiering.

In een poging helderheid te scheppen, heeft Sociale Zaken vorig jaar de nota ‘Normatief kader problematisch gedrag’ opgesteld, waarin wordt omschreven welk gedrag van moskeeën ongewenst is. Voorbeelden daarvan zijn het zich „afzonderen van de samenleving”, het „niet in de praktijk brengen” van de „gelijkheid van man en vrouw” of het „zwartmaken” van „andersdenkenden”.

Als iemand een gebedshuis wil financieren dat zich aan zulke zaken schuldig maakt, dringt Nederland er bij de Golfstaat op aan de geldstroom te blokkeren.

Salafistische organisatie

Het nieuwe beleid lijkt nog weinig resultaat te hebben opgeleverd. Het enige bekende geval draait om de salafistische organisatie die vorig jaar een schoolpand in Rotterdam kocht met dubieus verkregen geld uit Qatar. Na druk vanuit het ministerie van Buitenlandse Zaken en de gemeente beloofde Qatar de koop terug te draaien. Het schoolpand zou worden doorverkocht aan de gemeente. Maar navraag bij Rotterdam leert dat het pand – een jaar na de aankoop – nog steeds in handen is van de Qatarezen.

Vrijheid van godsdienst

Succesvol of niet: het tegenwerken van financiering plaatst de overheid voor een fundamenteler dilemma. Een overheid die zich al te zeer bemoeit met religie kan de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van religie schenden. Bovendien zijn dergelijke maatregelen tot nu toe alléén gericht op salafistische moslims en niet op andere gelovigen met onverdraagzame denkbeelden. Deze veronderstelde ongelijke behandeling werd tijdens recentelijk ambtelijk overleg tussen verschillende ministeries aangekaart, waarna een volgens aanwezigen „verhitte discussie” ontstond.

Ambtenaren van Sociale Zaken pleitten ervoor om óók beleid te ontwerpen voor christenen, joden en Jehovagetuigen met intolerante of discriminatoire opvattingen. Hun voorstel stuitte op weerstand van veiligheidsambtenaren, die in de fundamentalistische islam een grotere bedreiging zien voor de democratie dan in het christen- of jodendom.

De onenigheid in de ambtelijke top geeft aan dat de overheid na vier jaar discussie in de Kamer nog altijd niet weet hoe zij meer grip kan krijgen op de financiering van moskeeën.