Uitgever, dichter, gentleman

Theo Sontrop (1931-2017)

Theo Sontrop gold als een van de markantste uitgevers. Daarnaast schiep hij een klein poëtisch oeuvre van hoogstaande kwaliteit.

Theo Sontrop in 1986.Foto ANP

Lezen, uitgeven en nogmaals lezen: en dat alles in stijl. Theo Sontrop bracht tussen 1972 en 1991 uitgeverij De Arbeiderspers tot grote bloei. Gerenommeerde auteurs als Maarten ’t Hart, Gerrit Komrij, Jeroen Brouwers, F.B. Hotz, Boudewijn Büch, Louis Paul Boon, Geerten Meijsing en dichteres Eva Gerlach bezorgden de uitgeverij een belangrijke naam in het literaire landschap. Afgelopen zondag overleed Sontrop op 86-jarige leeftijd op Vlieland, waar hij zich had teruggetrokken. Om te lezen. En ver weg te zijn van de hedendaagse Amsterdamse literaire wereld.

Sontrop werd op 2 mei 1931 in Haarlem geboren en studeerde Frans aan de Rijkuniversiteit Utrecht. Hij was als redacteur verbonden aan het Amsterdamse studentenweekblad Propria Cures. Voordat hij de destijds zieltogende Arbeiderspers nieuw leven inblies, was hij betrokken bij uitgeverij J.M. Meulenhoff.

Bij de Arbeiderspers initieerde hij, samen met hoofdredacteur Martin Ros, de prestigieuze serie Privé-domein. Deze reeks, met namen als Paul Léautaud, Konstantin Paustovski, Gustave Flaubert, Fernando Pessoa en Elias Canetti, bracht het genre van de autobiografie als brief of dagboek tot grote hoogte.

In literaire kringen gold de markante Sontrop als een literaire fijnproever die niets moest hebben van het uitgeven als management. In de conversatie was hij briljant en hij diste met graagte anekdotes op die hij met tal van Franse woorden verrijkte. Sontrop was klein van gestalte. Een van zijn gevleugelde uitdrukkingen was dat hij „iedereen wantrouwde boven de 1 meter 67”.

In 1996 blikte hij voor NRC Handelsblad terug op de gouden jaren van De Arbeiderspers waar hij zei: „De beste auteurs lagen voor het oprapen, Philip Roth, Saul Bellow, en er was nauwelijks concurrentie. Uitgeven was een soort gentleman’s occupation.”

In 1962 verscheen zijn gedichtenbundel Langzaam kromgroeien, gevolgd door Marmerkijker uit 1971. Dat zijn poëtische oeuvre bijzonder klein is, weet Sontrop aan zijn luiheid. Maar zo was het niet. Hij schaafde eindeloos aan de dichtregels. Dat levert geconcentreerde poëzie op waarin weemoed en sentiment in balans wordt gehouden door ironie en distantie. Zijn verzamelde Gedichten verscheen in 1996 en telt 38 gedichten. Hij vergeleek het opnemen van de pen „alsof het een zware roeiriem” betreft. In Doctus Poeta schrijft hij over de dichter die de „Muze langzaam uitkleedt tot op het bot” en het „rijmelwoordenboek van Ezelsoor beduimelt”. Mooier kunnen ernst en ironie niet samengaan.