Recensie

Loepzuivere Strobos in Last Summernights

Antony Hermus dirigeerde op de ‘Last of the Summernights’ een feestelijk, zuidelijk getint programma.

De zomer in het Concertgebouw is voorbij. De Robeco Zomerconcerten eindigden zoals ze begonnen, op de ‘Last of the Summernights’, met een optreden van het Radio Filharmonisch Orkest. In totaal ruim 83.000 bezoekers bezochten de 86 zomerconcerten, 3.000 meer dan in 2016, waarmee de stijgende lijn van de laatste jaren wordt doorgetrokken.

De energieke Antony Hermus dirigeerde een feestelijk, zuidelijk getint programma. Het bal opende met Coplands daverende Fanfare for the common man, gevolgd door de achtervolgingsscène Chase van Joey Roukens – een spetterend showstuk dat hier net de benodigde superstrakheid miste. Daarna speelde het orkest toch vooral in dienst van twee aansprekende jonge solisten.

Mezzo Karin Strobos is in enkele jaren uitgegroeid tot een vaste waarde in het Nederlandse operalandschap. In ‘Parto, parto’ uit Mozarts laatste opera, La clemenza di Tito, klonk ze nog wat omfloerst, al kreeg ze geweldig tegenspel van klarinettist Arjan Woudenberg. Maar in de populaire Rossini-aria ‘Una voce poco fa’ (uit Il barbiere di Siviglia) was Strobos in haar element. Met haar lichte doch weelderig gekleurde stem twinkeleerde Strobos dartel door het belcanto, loepzuiver en mooi gedoseerd. Haar grote troef was daarnaast haar komische acteertalent, waarmee ze haar personage Rosina levensecht voor het voetlicht bracht.

De andere solist was Nemanja Radulović, de Servische violist met het glamrockhaar. Hij speelde encore-stukken van Sjostakovitsj en Tsjaikovski, maar imponeerde vooral met Ravels Tzigane. Vurig, gruizig en niet al te netjes dook hij in de solocadenza, waarna Hermus hem heel subtiel bijviel met het orkest. Na zoveel apotheoses deed de swingende uitsmijter Danzón 2 van Arturo Márquez wat overbodig aan.