Column

Is Nederland te min voor de topmanager?

De angst voor het maatschappelijke debat onder topbestuurders is geen onmacht, maar onwil. Er is gewoon te weinig te winnen.

Wanneer ik van het Centraal Station in Amsterdam naar de NRC-burelen aan het Rokin loop, zie ik achter de rondvaartboten op een daklijst de tekst: De cost gaet voor de baet uyt. Dat was het motto van de 17de eeuwse koopman. De VOC-mentaliteit. Is dat ook de mentaliteit van de huidige kooplieden, de topmanagers van onze multinationals?

De topbestuurders zelf houden afstand tot het publieke debat, bleek uit een NRC-special in de weekendkrant. Zij mengen zich liever niet in debatten over relevante onderwerpen, zoals belastingontwijking, migratie of arbeidsmarkt en robotisering. Het merendeel van hen is onzichtbaar uit angst voor een ruig, eenzijdig dispuut over hun eigen beloningen dat ze alleen maar denken te verliezen.

Jammer. Ook al besef ik dat ‘wij van de media’ bevooroordeeld zijn. Verslag doen van een (spannende) uitwisseling van opvattingen is onderdeel van onze maatschappelijke rol én van ons ‘verdienmodel’.

Topmanagers hebben het publieke debat grotendeels overgelaten aan hun lobby. Uitbesteed aan branche-organisaties en VNO-NCW. Zoals bedrijven wel meer zaken die zij niet tot hun kernactiviteiten rekenden (schoonmaak, beveiliging, automatisering) hebben uitbesteed. Da’s praktisch, geeft extra flexibiliteit, maar is het ook verstandig als het om het publieke debat gaat? Of is het kortetermijnpolitiek, ingegeven door maatschappelijke polarisatie, de schade van de economische crisis en begrijpelijke angst om fouten te maken? Zoals ABN Amro-voorzitter Kees van Dijkhuizen, die wél meedeed, het sentiment verwoordt: „Als je niets doet, kan het ook niet fout gaan.”

Hoe kwamen de topbestuurders zelf aan de top? Niet door angsthazen te imiteren, toch?

Maar zouden ze bij andere lastige onderwerpen in hun bedrijfsvoering ook zo reageren? Daar geloof ik niks van. Hoe komt Nederland anders zo hoog in de internationale lijstjes waarin economische prestaties worden gevierd? Hoe zijn de topmanagers zelf aan de top gekomen? Niet door het gedrag van angsthazen te imiteren, toch?

Hun eigen afzijdigheid in het publieke debat staat haaks op hun gegroeide economische macht. De overheid moet vanwege de Europese begrotingsregels inbinden. De uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling, investeringen en dus de banen, komen van de grotere ondernemingen. Maatschappelijke vernieuwing? Juist bedrijven investeren in meer duurzame productieketens, met uitgesproken topmanagers als Feike Sijbesma (DSM) en Paul Polman (Unilever). Ondernemingen als NS en KPN spelen als afnemer van groene energie een cruciale rol in de ontwikkeling daarvan.

De macht in de samenleving past niet bij de afzijdigheid in het debat. De angst voor een confrontatie over hun beloningen is vast en zeker een hindernis. Maar het moet toch maar weer eens worden geopperd: ligt dat aan journalisten, politici en ‘het volk’ of is er misschien toch iets mis met de hoogte van die beloningen? Want er is na al die jaren kennelijk geen sterke verdediging voor.

De angst voor het maatschappelijke debat is daarom geen onmacht, maar onwil. Er is gewoon te weinig te winnen. Nederland is voor menig bedrijf te onbeduidend geworden. Voor de calculerende topbestuurders is het publieke debat in Nederland een investering zoals vele andere, met kosten en opbrengsten. Aan dat eerste hebben ze een hekel, het tweede zit wel snor. Misschien zijn ze aan de top zelf wel verbaasd hoe soepel zij politieke steun krijgen als hun eigen positie wordt bedreigd, zoals bij recente buitenlandse overnamepogingen van PostNL, AkzoNobel en Unilever. Dat onderstreept hun maatschappelijke macht. Wel de baten, niet de kosten.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.