Column

Hoe kan het dat ik zo rijk ben?

Er lopen veel mensen over straat in de stad, ze zijn met vakantie, even de stad in, aan het winkelen, slenteren, op weg naar iets. En ze hebben allemaal kleren aan. Ja allicht, maar ik bedoel: ze hebben allemaal nagedacht over wat ze zouden aantrekken. Soms kort, soms langer, maar een keus hebben ze allemaal gemaakt. Als je dat ziet, is het moeilijk niet door een gevoel van zinloosheid overvallen te worden. Hoe ieder voor zich heeft besloten: dit korte jeansbroekje (net als al die andere meisjes) dit mouwloze wijde shirt (net als al die andere iets te dikke vrouwen), dit strakke blauwe pak met gele puntschoenen (net als al die andere mannen die er netjes uit willen zien), deze hoodie, deze Nikes, deze lange, wijde korte broek.

Het doet er bijzonder weinig toe.

In mijn eigen inloopkast stelde ik me laatst een onbekende Afrikaanse vrouw voor die met me meeliep. Hoeveel mensen wonen hier? vroeg ze belangstellend. Eén, zei ik. Maar al deze kleren… begon ze. En toen had ze de rest van het huis nog niet gezien: de boeken, de keuken, de tuin. Al die ruimte die ik voor mezelf meen nodig te hebben.

Soms begrijp je niet waarom je leeft zoals je leeft. En hoe het kan dat je zo rijk bent.

Ik luisterde naar June Christie die ‘Something cool’ zingt – een liedje uit 1960 waarin een vrouw alleen, ergens onderweg, een drankje aangeboden krijgt van een man. „Like my dress?”, zingt ze „I must admit it’s very old. But it’s simple and neat, it’s just right fort this heat, save my furs for the cold.”

My furs – alsof ze direct als ze deze jurk niet draagt een bontmantel aan moet. Het geeft de indruk dat ze eigenlijk niet veel kleren heeft. Misschien een nette en een gewone jurk. Wellicht nog een rok, twee bloesjes, een vestje. Ineens komen uitdrukkingen als ‘je zondagse kleren’ ‘je goeie goed’ weer terug. Dat was vijftig jaar geleden nog heel gewoon, voor mannen ook, een doordeweeks pak, een paar overhemden, en een pak voor zondag, voor begraven en trouwen.

Het is heus geen heimwee, deze gedachte. Het is lichte schaamte. Schaamte voor de overvloed – Overvloed en onbehagen noemde Simon Schama zijn studie over de Nederlandse zeventiende eeuw al: rijkdom die ongemakkelijk voelde, liever niet te veel getoond werd, maar weer wel zichtbaar was in de kanten kragen, de parels, de boter en kaas, de spijzen met peperdure specerijen.

Maar toen was het nog niet zo dat de aarde werd uitgeput door watervragende katoenvelden. Het was wel zo dat andere mensen uitgebuit werden voor die Hollandse rijkdom. Net als nu. We praten vaak over de lelijke kanten van het verleden, maar het heden kan er ook wat van. De kinderarbeid, de uitbuiting, de bijna-slavernij, de sweatshops – en wij maar goedkoop nog meer T-shirts, voorgescheurde broeken, tijdelijke bloesjes kopen. Je kunt je afgedragen kleding nu weer inleveren bij modeketens als H&M of Claudia Sträter. Zoiets als een boom planten voor een vliegreis, of handelen in emissierechten. Schuldgevoel wordt kleiner, probleem nauwelijks.

Waarom moet je toch altijd zo moralistisch doen, houd daar nu eens mee op! Iets moois dragen geeft ook plezier, aan jezelf en anderen. Geniet gewoon van je tuin, ook nog eens in een deel van het land waar (ten onrechte) niemand wil wonen. Er zijn mensen die dit soort bedrukkende gevoelens ‘linkse zelfhaat’ noemen. Of is het gewoon een atavistisch restje calvinisme, zie Schama. „Elc heeft een vreemd geestgen dat hem quelt”, schreef de zestiende-eeuwse dichter Jan van Stijevoort.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC