Cultuur

Interview

Interview

‘Ik kon goed vechten, Klaas Bruinsma had discipline’

Peter van den Akker (64) scharrelde vijftig jaar tussen Amsterdamse criminelen, junks en prostituees. Hij was lijfwacht van Klaas Bruinsma – en opende ook een jeugdhonk. “De grens tussen onderwereld en zelfkant is dun.”

Peter van den Akker kijkt bedachtzaam als hem wordt gevraagd naar Klaas Bruinsma. Zijn getekende gelaat gaat deels schuil achter lang haar en een forse snor. Zijn verhouding met de eerste echte Nederlandse maffiabaas is niet zijn favoriete gespreksonderwerp, maar hij vertelt toch. „Het verschil tussen Klaas Bruinsma en Peter van den Akker? Klaas had van huis uit discipline meegekregen, ik niet. Hij was een narcist, mij kon je makkelijk beïnvloeden. Ik kon goed vechten, Klaas kon organiseren.”

Een ander verschil: Peter van den Akker leeft nog. Hoe een jongetje uit Brabant overleefde in de schemerzone tussen zelfkant en onderwereld.

Terugval

„Goh, wat is het hier veranderd”, zegt hij als we vanaf het Centraal Station via de Warmoesstraat naar de Amsterdamse Wallen lopen. „Kijk, hier heb ik vroeger geslapen”, zegt hij als hij de Oudezijds Armsteeg inloopt, een steeg van nog geen drie meter breed in het hart van de Wallen. Het pand waar hij verbleef is vervangen door nieuwbouw. Verderop heeft het Leger des Heils een museum geopend.

In de oude binnenstad wandelt Van den Akker als een toerist door zijn eigen verleden. Het gaat langzaam, hij heeft COPD en is kortademig. Ondanks alle veranderingen in zijn oude buurt zijn sommige dingen nog altijd hetzelfde, zegt hij als we de brug tussen de Korte en de Lange Niezel passeren. „Ik tel zo drie gezichten die ik nog ken.” Hij loopt door zonder te wijzen of op te kijken en vermijdt contact met mensen die hij herkent uit de tijd dat hij hier kwam voor zijn dope. Tien jaar geleden heeft hij een terugval gehad, één keer. „Nadat ik was geopereerd aan een hernia kreeg ik morfine tegen de pijn. En voordat ik het wist vond ik mezelf weer terug bij het Centraal Station, op zoek naar heroïne. Na een paar weken ben ik weer gestopt. Leven met drugs is geen leven.”

Hosselen

Peter van den Akker is veertien jaar als hij de deur van internaat De Eikenhorst in Geeuwenbrug achter zich dichttrekt. Een paar jaar nadat zijn vader en moeder uit de ouderlijke macht zijn gezet heeft hij genoeg van alle welzijnswerkers die weten wat goed voor hem is en broeders die aan zijn kruis friemelen. Hij is een buitenbeentje geweest, letterlijk. „Jij bent geen echt broertje”, riepen zijn broer en vier zussen tegen hem toen hij jong was. Later kwam hij erachter dat zijn ouders hadden verzwegen dat hij een buitenechtelijk kind was. Peter wilde kok worden maar zijn leraren wezen naar de snottebellen die permanent onder zijn neus hingen. Hij moest maar schilder worden.

Daar heeft hij geen zin in. Hij vertrekt naar Amsterdam. Hij weet zich te handhaven tussen de studenten, prostituees, provo’s en drugsgebruikers. Sterker nog, ze helpen hem uit handen van politie en jeugdzorg te blijven. Hij slaapt overal en nergens en hosselt om aan geld te komen: beetje werken, beetje stelen, beetje bedelen.

Hij is zeventien of achttien als hij in de Kanaalstraat terechtkomt op een etage die hij deelt met twee Chinezen. „Die twee jongens verdienden veel geld met de handel in heroïne en dat wilde ik ook wel. Voordat ik het wist was ik verslaafd.” In die tijd leert hij via via Thea Moear kennen, de latere zakenpartner van drugsbaron Bruinsma. Coffeeshops bestaan dan nog niet maar de vraag naar hasj is er niet minder om.

Foto Michael Floor

Thea heeft een handeltje in hasj: ze koopt kilo’s in bij de grote jongens en besteedt de distributie uit aan zogeheten stukjesverkopers. Peter van den Akker is er een van. „Ik had geen geld maar bij Thea kon je achteraf betalen.” Zo bouwt hij een eigen winkel op om zijn verslaving te betalen. Als Thea midden jaren zeventig gaat samenwerken met Bruinsma en een coffeeshop begint – de Buggie – blijft ze zijn leverancier. „Toen zij groter werd en ging samenwerken met Bruinsma bleef ze vaak zitten met restjes, voor haar begrippen dan. Voor mij was dat goede handel.”

Peter werkt in die tijd ook als portier. Hij is sterk, snel en voor niemand bang. „Ondanks mijn verslaving kon ik goed knokken en de mensen in het milieu wisten dat.” Hij steekt zijn immense handen omhoog: „Dit was mijn gereedschap”.

In die tijd begaat hij naar eigen zeggen de grootste fout uit zijn leven. In een nachtclub wordt hij door een prostitué die hij kent voorgesteld aan een meisje. In een roes van drugs en opwinding heeft hij tegen haar wil seks met het meisje. Ze doet aangifte van verkrachting en Peter wordt veroordeeld. „Er is veel gebeurd in mijn leven maar dat had ik nooit mogen doen”, zegt hij. „Daar heb ik oprecht spijt van.”

Na een decennium heroïneverslaving is Van den Akker totaal uitgeput. „Ik had niks meer, geen huis om te slapen, geen plek om te eten, geen kleren om te dragen. Ik had geen controle meer over mijzelf en mijn leven.” Overlevingsdrang helpt hem bij het afkicken. „Ik had genoeg van het kippenvel, de kotsbuien waarbij alleen nog gal bovenkomt en de niet aflatende kramp in mijn benen.”

Lees ook over misdaadverslaggever bij de Nieuwe Revue, Bert Voskuil: Ik moest onderduiken voor de Hells Angels en Paul Vugts, van Het Parool, Aan de zijlijn van de onderwereld. Beiden schreven veelvuldig over het Amsterdamse criminele circuit.

Jongerenwerker

In een oud leeg schoolgebouw in de Crijnssenstraat begint Peter van den Akker opnieuw. Hij wil dakloze jongeren helpen met het opbouwen van een beter bestaan. Highschool heet zijn jongerencentrum dat in 1981 de deuren opent.

Wat niemand weet is dat het startkapitaal voor wat Van den Akker „zijn schooltje” noemt, afkomstig is van Klaas Bruinsma, op dat moment een toonaangevende figuur in de onderwereld. „Ik had voor het opstarten 10.000 gulden nodig en dat heb ik van Klaas geleend. ‘Kijk maar wanneer je het terugbetaalt’, zei Klaas.”

Zijn schooltje is een succes. De gemeente Amsterdam betaalt de huur en de elektriciteitsrekening, Van den Akker zorgt voor de rest. Hij doet dagopvang maar helpt jongeren ook als ze een adres nodig hebben voor het aanvragen van een uitkering. Hij organiseert projecten. In het centrum wordt alleen ’s avonds alcohol geschonken, drugs zijn te allen tijde verboden. „Er kwamen ook moeilijke gasten, maar ik vond dat juist mooi. Ik wist wat die jongens en meiden meemaakten en kon ze helpen.”

Foto’s Michael Floor

Zijn relatie met Bruinsma verandert midden jaren tachtig als Bruinsma een aantal jaren in de gevangenis heeft gezeten vanwege een schietpartij met dodelijke afloop. „Toen hij vrijkwam heb ik hem die 10.000 teruggegeven.” Rente kan hij niet betalen en daarom biedt Van den Akker zijn diensten aan: „Als je me nodig hebt, kun je me bellen.”

Een paar jaar later is het zo ver: Bruinsma zoekt een lijfwacht. „Toen hij belde heb ik ja gezegd, afspraak is afspraak.” Bruinsma leefde volgens Peter in een totaal andere wereld: drank, drugs, geld, vrouwen, macht. Van den Akker reed Bruinsma rond, maar liet zich naar eigen zeggen niet in met diens criminele activiteiten.

„Klaas wilde graag de boeken ingaan als de grootste. Hij was alleen maar bezig met zichzelf. Hoe meer je voor Klaas betekende, hoe makkelijker hij afscheid van je nam.”

Niet lang voor Bruinsma’s gewelddadige dood in 1991 vond Peter van den Akker dat hij zijn schuld wel had voldaan.

Boksbeugel

Hij ziet in de loop der tijd steeds meer jonge Marokkaanse Amsterdammers in zijn jeugdhonk. Als de politie na klachten uit de buurt in 2009 een inval doet vinden ze xtc-pillen, op de grond gegooid door een aantal vaste gasten. Ook vinden ze een mes en, in een kluis van zijn kantoor, een gouden boksbeugel. Hij begreep die inval wel, zei hij destijds tegen Het Parool: „Ik heb niets te verbergen. De meeste horeca-ondernemers zouden wensen dat ze zo schoon zijn als wij.”

Toch is de inval het begin van het einde van de Highschool. Die moet dicht en in 2012 wordt de subsidie definitief ingetrokken. Het steekt Peter van den Akker dat de gemeente zijn project na dertig jaar werken met moeilijke jongeren heeft gesloten omdat ze wat pillen en een boksbeugel hebben gevonden. Van den Akker heeft het gevoel dat ze van hem af wilden. „Ik denk dat ik te lastig was.”

De ironie wil dat de gouden boksbeugel die werd gevonden een cadeautje was van Klaas Bruinsma. Zo is Peter van den Akker toch nog ingehaald door zijn vorige leven. Hij wil volgend jaar, na zijn 65ste, definitief naar Frankrijk vertrekken, waar hij een huisje heeft. Zijn twee kinderen ziet hij niet vaak, zijn broer en zussen evenmin. Maar spijt heeft hij niet. „In Frankrijk ben ik gelukkig.”