Lang leve het paardloze rijtuigsyndroom

Zombiesymbolen (2)

In juli vroegen we u, lezer, onze bloemlezing van anachronistische tekens aan te vullen. Een selectie.

Bijna niemand gebruikt nog een diskette om gegevens op te slaan, maar het symbooltje voor die handeling – linksboven in veel software – is nog wel een algemeen teken voor ‘bewaren’. Kennelijk maakt het niet uit dat het vroeger voor een echt voorwerp stond, dat steeds minder mensen nu zullen herkennen.

Als je er op gaat letten, zijn overal zulke tekens: een envelop voor ‘e-mail’, een bord van een fabriek met rokende schoorsteen bij een modern ‘bedrijventerrein’. Ze tonen hoe onze verbeeldingskracht geketend blijft aan wat we al kennen. Op 15 juli publiceerde de Achterpagina een bloemlezing van deze ‘zombiesymbolen’. We vroegen u, lezer, onze verzameling aan te vullen. U zond ons een kleine honderd voorbeelden.

Verkeersborden boden veel inspiratie. Zo kwam de ‘bewaakte spoorwegovergang’ (met het zwarte tuinhekje dat in de prehistorie ander verkeer van de rails hield) in veel varianten. Misschien vindt het verschijnsel op de openbare weg zijn oorsprong, leren we van Leonard Verhoef, die ons wees op de eerste auto’s, waarbij de passagiers hoog en voorop zaten, als op de bok van een rijtuigje. Daarom heet het ook wel horseless carriage syndrome, het paardloze rijtuigsyndroom. Hou het simpel, zeiRutger de Koning; noem ze gewoon ‘anachronismen’.

Veel voorbeelden kwamen uit de techniek waarmee we ons omringen: de oude tele- foonhoorn in tijden van de 4G-smartphone werd vaak genoemd. En de pictogrammen voor moderne video komen uit het filmtijdperk; Aletta de Goede noemde filmspoelen en de super-8-camera in het menu van haar tv (die zelf weer met een oude antenne werd weergegeven). Het trompetje (‘herrie’, ‘autoclaxon’) bereikte ons ook een paar keer. En Robert Schut stuurde het wigwam-achtige tentje-met-stokken dat nog steeds ‘camping’ betekent in een tijd van lichtgewicht koepel- en tunneltenten.

Elly Waterman kwam met het zandlopertje (‘wachten’), het tandwiel en het hangslot (voor digitale ‘instellingen’ en ‘vergrendeling’). Zij introduceerde tevens een geheel nieuwe categorie, die van de ‘zombiegebaren’. Denk: het „schrijfgebaar aan een kelner als je wilt afrekenen” (wie weet trouwens nog wat een kelner is?) en het ‘hand-croissantje’ bij je oor om te zeggen: „We bellen”.

‘Zombiegeluiden’ werden ook genoemd, zoals de nep-mechanische tik van de clignoteur, de officiële naam van de richtingaanwijzer in je auto (Stan Aalbers).

En dan de taal. Het bord ‘Ontsteek uw verlichting’ (bij tunnels) leek voor Peter de Jong een verzoek „een carbidlamp mee te nemen”. Zo kom je in een schemerzone waar Woordhoek-man Ewoud Sanders maar eens licht moet laten schijnen (bijvoorbeeld over ‘in de aap gelogeerd’, ‘ondergeschoven kind’ en ‘vechten tegen de bierkaai’, ingezonden door Frank Mosterd).

En dan was er de mail van Carel Jongkind: „Het is misschien zo voor de hand liggend dat niemand het meer ziet. Het hele artikel is geschreven in zombiesymbolen: het alfabet.” Is dat echt zo? Ja! Ons Latijnse alfabet gaat via-via terug op Egyptische hïerogliefen. De A was een ossenkop. De punt als bek, pootjes als oren. Os was nuttig als A-klank; ‘alef’ is Semitisch voor ‘os’. De B begon als huis (‘bet’), de T als kruis (‘taw’). De diskette is nog aan de horizon te zien; die oude letters zijn er lang achter verdwenen.