Cultuur

Interview

Interview

Lars Boom is bezig aan een bewogen seizoen: „Wat anderen van mij vinden, interesseert me eigenlijk geen reet, behalve als het mijn ploeggenoten zijn. Mijn imago vind ik niet belangrijk.”

Foto Robin Utrecht

‘Je moet soms een klootzak zijn’

Lars Boom wielrenner

Meer dan eens negeerde hij de stalorders van zijn nieuwe ploeg Lotto-Jumbo, waardoor de leiding hem een beloofde plaats in de Ronde van Spanje ontnam. „Het probleem is: ik ben een winnaar.”

Dinsdagmiddag vier uur, randje Vlijmen, bij Den Bosch. Wielrenner Lars Boom rijdt in een afgeknipte spijkerbroek, een T-shirt en op gympen met een rotvaart een boomrijke oprijlaan op, twee blonde meisjes voor zich in zijn elektrische bakfiets. Met een druk op de knop schuift een ijzeren hek langzaam open en wordt een witte villa met rieten dak zichtbaar. Verlaagde Audi A8-station voor de dubbele garage, een olijfgroene Mini Cooper aan de andere kant. „Zet ’m er maar naast hoor”, klinkt het, terwijl de meisjes zich hardop afvragen of deze meneer van de dopingcontrole is. „Nee”, vadert Boom. „Niet iedereen met een rugzak is van de doping. Papa moet een paar vragen beantwoorden.”

„Hoe lang gaat dat dan duren”, wil de oudste weten. „Nou, dat hangt van die meneer af. Ga nu maar spelen.” En weg zwermt zijn kroost, langs een zeven meter lang keukenblad het gazon in, waar een zelfrijdende maaier het gras kort houdt.

Aan tafel in de riante eetkamer lurkt Boom aan een fles water met daarin stukken gember. Hij ziet er een beetje slaperig uit, had een rustdag en lag voornamelijk op de bank te wachten tot echtgenote Niké het eten klaar had – „sja, zo is het wel”. Maar aan de puntige contouren van zijn gezicht is te zien dat hij op andere dagen genoeg arbeid verricht.

Lars Boom heeft een bewogen seizoen achter de rug: kwam in de winter over van Astana – ploeg met het imago van valsspelen en geldwolverij – en zou op het oude nest bij Lotto-Jumbo de absolute kopman worden in de voorjaarsklassiekers. Een monument als Parijs-Roubaix is op basis van zijn resultaten (overwinning Touretappe 5 in 2014, kasseienrit deluxe, wereldkampioen veldrijden) en zijn fysieke capaciteiten een onlogisch hiaat op zijn erelijst. Het zou een kwestie van tijd zijn voordat dat zou worden opgevuld. Maar het liep anders: 96ste in E3-Harelbeke, 95ste in Gent-Wevelgem, 97ste in de Ronde van Vlaanderen. In Roubaix haalde hij de finish niet, idem in de Goldrace. Voorjaar van Lotto verprutst, kopman van niks, zo klonk het. Niet te genieten was hij in die periode, vooral voor zijn ploegmakkers. „Ik was erg met mezelf bezig, chagrijnig, want van zo’n rukvoorjaar word je onzeker. Dat was niet makkelijk voor ze”, zegt Boom, ondertussen zijn dochters corrigerend.

„Papa, ik wil dat je op een andere sport gaat”, zegt Kee (5), terwijl ze zich over de rugleuning van de bank drapeert. „Stenen gooien of zo. Hoe lang duurt het nog?”

„Nog heel lang”, plaagt Boom.

Daar komt Nena (3) ook aan: „De grasmaaier is ermee gestopt”, roept ze met grote ogen. Boom, rustig: „Gewoon even op de rode knop drukken.” En ze zijn weer even onder de pannen.

Inmiddels weet Boom waar het in het voorjaar aan scheelde: te weinig getraind, zo simpel is het. „In de maanden november en december heb ik door het veldrijden veel minder kilometers gemaakt. Normaal werk je dan aan je basisuithouding, maar ik deed veel korte, explosieve trainingen. Daardoor liep ik het hele voorjaar achter de feiten aan. Dat is een vergissing, vooral van mij. Ik was te enthousiast geworden voor het crossen, maar ik dacht een goed plan te hebben gemaakt. Niet dus.”

Foto Robin Utrecht

Boom pakte de draad weer op, bouwde zijn trainingen gestaag uit en was beresterk op het Nederlands kampioenschap in Montferland, eind juni. Afspraak was daar te rijden voor titelverdediger Dylan Groenewegen, als het in de laatste tien kilometer op een sprint zou uitdraaien. Dat gebeurde, maar Boom demarreerde in de finale, als een dolle stier op zoek naar eerherstel. De actie mislukte, de ‘schade’ reeds aangericht: de sprinttrein van Lotto-Jumbo lag in duigen.

Boom negeerde de stalorders, en dat kwam hem op een berg kritiek te staan. Dit was niet het gedrag van een teamplayer. „Misschien had ik bij de teambespreking de avond daarvoor wat duidelijker mijn intenties moeten laten blijken”, blikt hij terug, pulkend aan de franjes van zijn broek. Maar zo mondig was hij niet meer, na zijn belabberde presteren. Geagiteerd: „Het probleem met het wielrennen van tegenwoordig is dat je alles van tevoren moet afspreken, terwijl iedereen weet dat je een finale van een koers niet kunt plannen, dan moet je met je onderbuik koersen, je moet soms een klootzak zijn. Kijk, in Noorwegen reed ik me helemaal leeg voor Timo Roosen, die daardoor een etappe kon winnen. Dus als mensen zeggen dat ik geen teamplayer ben, hebben ze het mis. Het probleem is: ik ben een winnaar.”

Ruim twee weken later bewijst Boom dat – drie lange jaren na zijn etappeoverwinning in de Tour. Bij Astana werd hij eens vierde in Roubaix, en won hij een koers in Denemarken, niet meer dan dat. „Het werd wel weer eens tijd hè?”

‘Je zei fuck yea, toch papa?’

Het is de vijfde etappe in de BinckBanck Tour (voorheen van sponsor Eneco), de rittenkoers die Boom in 2012 overall won. In de laatste dertig kilometer ontstaat er een kopgroep met daarin de elite: onder anderen Peter Sagan, Philippe Gilbert en Greg Van Avermaet zitten mee. En ook Lars Boom. Na een spervuur van demarrages valt hij aan, twee kilometer voor het einde. Hij slaat een gat dat zelfs de regerend wereldkampioen niet dicht krijgt. Eindelijk is daar het rauwe talent van Lars Boom weer zichtbaar: als hij zijn kop erbij houdt, hoort hij bij de allerbesten. En dat mag de wereld weten ook. Op de streep roept hij ‘fuck you’, en maakt hij ter verduidelijking ook dat gebaar met zijn armen. Kost hem 880 euro boete, en vooral veel hoon: opnieuw is zijn onbesuisde karakter het gesprek van de dag.

Dochter Kee ziet de foto van het moment terug. „Fuck yea zei je daar, toch papa?” Boom glimlacht. „Precies.”

Waarom die grote reactie op de streep? „De avond ervoor kwam de ploegleiding me op mijn hotelkamer vertellen dat ik de Vuelta niet mocht rijden, terwijl dat wel het plan was. Dat moment op het NK hebben ze aangegrepen om me thuis te laten. Ik was flabbergasted. In mijn hoofd was ik er al maanden mee bezig. Bovendien ben ik kopman, en geen knecht. Je wijkt dan niet zomaar van de uitgezette lijn af. Op dat moment kwam er veel woede uit. Daarna hebben we goede gesprekken gehad. Ik heb immers nog een contract tot volgend jaar. Vooral bij mijn ploeggenoten zat nog oud zeer over dat NK.”

‘Ik heb geen modaal inkomen’

Maar er was dit jaar meer voorgevallen: in juli werkte Boom met Lotto-Jumbo in Tirol een hoogtestage af, met oog op de Vuelta, het WK in Bergen (waarvoor hij geselecteerd is), en volgend voorjaar. Na de laatste training op zondag wilde hij een dag eerder dan de rest van de ploeg naar huis, op eigen gelegenheid. De ploegleiding zag dat niet zitten, maar Boom ging toch. „En daar sta ik nog steeds achter”, zegt hij schouderophalend. „Ik had een goede stage afgewerkt, en op die berg was niks meer te doen. Wat moet je dan nog?”

En zo ontstaat toch weer dat beeld van een wielrenner die zijn eigen zaakje belangrijker vindt dan dat van zijn collega’s, een man die bij Rabobank en later bij Astana veel geld verdiend heeft – „ik heb geen modaal inkomen nee” – en het nu allemaal wel best vindt, de motivatie niet meer kan opbrengen om nog hard te trainen, zoals AD-columnist Thijs Zonneveld onlangs schreef. „Maar wat anderen van mij denken, maakt me eigenlijk geen reet uit. Mijn imago vind ik niet belangrijk. Vooral bij Rabobank waren het tropenjaren. Maar met zo’n Touretappe dwing je dat ook af, toch?”

Boom doet niet eens zijn best het ontstane beeld bij te stellen. Hij verhaalt over een trainingskamp in Alicante, Spanje, afgelopen winter. Op het programma stonden acht tempoblokken bergop, bij twee graden en natte sneeuw. „Na twee keer ben ik teruggegaan naar het hotel. Ik vind dan trainen niet prettig. Ik heb gevoelige longen en bijholten en ik weet dat ik daar last mee krijg.”

Buiten krijgt dochter Kee een woedeaanval. „Die is een beetje in de peuterpubertijd belandt”, weet Boom. Hij noemt zichzelf een echte familieman, zijn meiden zijn alles voor hem. „Rustig, rustig”, zegt-ie tegen zijn dochter als ze door moeder Niké bij de arm mee naar haar kamer wordt genomen. Hij gniffelt, en gaat dan gewoon weer verder: „Misschien hebben de mensen te hoge verwachtingen van mij. In het begin werd er geschreven dat ik net zo goed was als Tom Boonen en Fabian Cancellara. Dat klopt niet helemaal. Maar ik denk dat een grote prijs er wel aan zit te komen.”