Hoe teer is de ziel van de lezer: over namen, foto’s en varkens

Hoe teer is de ziel van de journalist of die van de lezers? Soms krijg je de indruk dat journalisten geacht worden met steeds meer wensen, eisen en gevoelens rekening te houden.

Een regel in de journalistiek is bijvoorbeeld: namen noemen. Maar een 18-jarige scholiere die bij de rechter een schooldiploma wilde afdwingen, bleef naamloos, ook in NRC.

Dat was op haar verzoek. Bij het begin van de zaak vroeg haar advocaat de aanwezige journalisten haar „privacy te respecteren”. Nagenoeg alle media honoreerden dat verzoek. Althans, ik vond vooral omschrijvingen als „de 18-jarige Brabantse scholiere”. Het verslag van de zitting in NRC meldde terloops dat zij „anoniem wil blijven”.

Maar waarom ‘respecteerden’ media die wens eigenlijk? Of wacht, laat ik het eerst zo vragen: waarom wilde de scholiere precies anoniem blijven?

Je kunt je daar natuurlijk van alles bij voorstellen, anno 2017: misschien is ze de dochter van een betrokken leraar, een minister of Zomergast. Of, wat meer voor de hand ligt, heeft ze gewoon geen zin middelpunt te worden van een shit storm op sociale media, of tot in lengte der dagen bekend te staan als het en effet-meisje dat zakte voor Frans – leuk voor sollicitatiegesprekken.

De lezer komt er niet achter, in het verslag bleef het bij die drie woorden. Andere media boden evenmin helderheid. Sterker, haar eigen advocaat weet het niet. Hij zegt, desgevraagd: „Ze heeft mij dat in het begin al laten weten en ik respecteer dat. Waarom ze het wilde, weet ik niet precies. Misschien is het ook niet goed daarover uit te weiden.”

Stel dat beduchtheid voor publiciteit de reden was, is dat dan afdoende om iemands naam weg te laten? Dat hangt er vanaf. Journalisten maken gebruik van anonieme bronnen, maar dat is een heel ander verhaal. Namen van verdachten worden in de regel afgekort, maar dat betreft strafzaken, geen civiele die door hen zijn aangespannen. Wie uit eigen beweging naar de rechter stapt – en dus van een particuliere grief of wens een publieke aangelegenheid maakt – moet er rekening mee houden dat hij uit de persoonlijke sfeer treedt. Ook deze zitting was tenslotte openbaar.

Of zijn of haar naam ook in het artikel moet worden genoemd, is vervolgens een afweging van de krant. Hoe relevant is die voor het verhaal? Ik kan me best voorstellen dat de naam van een klager dan achterwege blijft, zoals wel vaker gebeurt in verslagen van procedures of klein nieuws. Maar het punt is: dat moet een eigen, inhoudelijke beoordeling van de krant zijn, niet een intuïtief honoreren van een verzoek om ‘privacy’.

Overigens is die afweging bij een rechtszaak iets anders dan bijvoorbeeld bij een straatreportage, waarin namen van sprekers wél standaard moeten worden genoemd, zoals laatst die van een drietal Turkse jongens over het Erdogan-referendum (die erover logen). Namen noemen moet dan een garantie bieden dat citaten verifieerbaar zijn en niet door de journalist zijn verzonnen. Bij een kort geding speelt die noodzaak niet; de naam van een klager staat op de dagvaarding. Of een krant die ook nog opschrijft, hangt af van het belang van de zaak (of van de naam).

Het voorbeeld geeft nog eens aan dat journalisten van ‘traditionele media’ onder grote druk staan om zich op allerlei niveaus – van onderwerpkeus tot taalgebruik op woordniveau – te schikken naar de wensen, of eisen, van assertieve burgers, belangengroepen, lobbyisten en activisten. Terwijl elders vaak het Wilde Westen regeert, worden gevestigde media tot op de vierkante millimeter gemonitord. Ze gaan daar vaak zorgvuldig mee om – mag ook wel eens worden gezegd – maar het blijft zaak te waken voor de druk om wensen al te makkelijk te ‘respecteren’. Zulke verschuivingen gaan sluipenderwijs.

Ook bij lezers. Een ander voorbeeld van een in mijn ogen te grote beduchtheid om mensen voor het hoofd te stoten, betreft foto’s van dierenleed.

Bij de maandelijkse online Fotowedstrijd voor NRC-lezers (thema ‘mijn plek’) dook onlangs een foto op van een uitgebrande varkensstal, met kadavers op de voorgrond. „Dit was hun plek”, aldus het commentaar van de inzender, een fotograaf die zich engageert met dierenwelzijn. Meteen regende het protesten uit kringen van boeren en varkenshouders (ik schreef erover op mijn blog). Eind van het liedje: de foto, maar ook kiekjes van vrolijke varkentjes die prompt als reactie werden ingestuurd, werden verwijderd. Aan de wedstrijdregels werd toegevoegd dat die niet bedoeld is voor ‘activisme’.

Over die term kun je twisten, want hoe ‘activistisch’ was die foto? Er is nog altijd een verschil tussen activistisch en geëngageerd – als het goed is, is de krant het laatste óók, maar niet het eerste.

Maar nu: na een brand waarbij 20.000 varkens omkwamen, plaatste NRC twee weken terug een paginagrote reportage over stalbranden. Dáárbij was zo’n schokkende foto nu juist op zijn plaats geweest. In plaats daarvan stonden drie foto’s bij het stuk waar nog geen schroeiluchtje aan zat: een verstilde foto van een uitgebrande stal ergens in de verte, en twee andere van een stal met geitjes. Gemiste kans, vind ik; fotojournalistiek is er ook om hier de harde werkelijkheid te laten zien.

Kortom, gevestigde media worden steeds meer geconfronteerd met een assertieve en snel gekwetste of verontwaardigde omgeving. Het net van gevoeligheden wordt strak aangetrokken.

Journalisten moeten daar niet zielig over doen (dat helpt ook niet, medelijden met journalisten is schaars, zoiets als een hekel hebben aan panda’s). Maar het risico is wel een sluipende zelfbeperking. Journalistiek in een wereld van tere, maar assertieve zielen.

Over dat thema wil ik in het nieuwe seizoen op ‘mijn plek’ vaker schrijven – na een week vrij wegens vakantie, ook zo’n opdringerig privé-verlangen.

Reacties: ombudsman@nrc.nl