Recensie

Wie zijn wonden toont, zal entertainen

Ariel Levy

De maakbaarheid van je eigen leven kent zijn grenzen. Dat laat de indringende, soms arrogante memoir zien van deze Amerikaanse essayiste, die moeite heeft met de dalen in haar weg naar zelfverwezenlijking.

Ariel Levy verkeerde op kantoor in een permanente staat van ‘verbitterde eigendunk’ Foto Lisa Carpenter / Hollandse Hoogte

‘Wie zijn wonden toont, zal genezen.’ Dit credo hanteerde theatermaker Christoph Schlingensief in zijn theaterperformance Eine Kirche der Angst für dem Fremden in mir (2004). Schlingensief regisseerde zichzelf in een theatrale, seculiere mis, met een hoge inzet. Hij leed aan een ongeneeslijke longkanker en wilde zijn onvermijdelijke sterven bezweren, oefenen en vieren tegelijk. Dit deed hij via het groteske, met een zelfbewustzijn dat spotte, dat huilde én lachte om dat wat het leven hem toespeelde.

Ook Ariel Levy, publicist voor The New Yorker, toont haar wonden, in de memoir De regels gelden niet. Haar wonden betreffen met name haar diepe geloof in maakbaarheid, dat zij aanvankelijk onbezorgd beleed. ‘Er kon in mijn leven niets ernstigs gebeuren, omdat ik er de hoofdrol in speelde.’

Haar schrijvende beroep ondersteunde en bevestigde dit: haar stukken waren immers ultiem maakbaar. ‘Het leven voegde zich keurig naar mijn verhaal.’ Levy zette haar maakbaarheidsgeloof in voor zelfverwezenlijking. Op persoonlijk en professioneel vlak werkte ze hard om dát te vergaren waarvan zij dacht dat zij het begeerde. Waaronder een huwelijk met Lucy, haar vriendin. ‘Wat kan de goedkeuring van de maatschappij jou schelen?’, vraagt haar moeder. De conventionele verlangens die Levy erop nahoudt, die ‘regels’ uit de titel die ze wil navolgen, worden niet door haar ingefluisterd.

Consumptie-ethos

Als ze begin jaren negentig van school komt en rotklusjes doet op de redactie van New York Magazine, noteert ze hierover: ‘Er was geen onderstroom van angst en weinig weerstand tegen de heersende cultuur van eigenbelang van die tijd. Mijn generatie had nooit een echte oorlog meegemaakt die jaren duurde. Niemand was bezig met terrorisme.’ Ze signaleert ‘een ongebreideld consumptie-ethos in New York’, dat door haar omgeving ‘zowel werd bespot als aangemoedigd’. Ook Levy is hongerig, ze wil doorstoten, erkend worden. ‘Op kantoor verkeerde ik in een permanente staat van verbitterde eigendunk.’ Door deze zin moet ik ineens denken aan essayiste Joan Didion, aartsmoeder van het personal essay. Haar ‘On self-respect’, een essay dat ze in 1961 voor Vogue schreef, ontleedt deze staat van zijn. Scherp en geestig tekent ze de omslag op van die verbitterde eigendunk die we adolescent zouden kunnen noemen, naar een waardigheid, die wellicht een volwassen leven lichter en beter leefbaar maakt. Daartoe, stelt Didion, dient enige (geestelijke) discipline aangewend te worden. Parafraserend: onder een koude douche is een zwijmelig zelfmedelijden moeilijk vol te houden. In Ariel Levy’s memoir wordt er – met een zekere trots – verbluffend weinig koud gedoucht.

Het huwelijk met Lucy laat zich niet manipuleren zoals een geschreven tekst: het is een echt huwelijk. Haar echtgenote vecht met de alcohol. Drank danst in eerste instantie hun leven binnen in de vorm van etentjes en feestjes en een gedeelde romantiek. Levy vindt het moeilijk in te zien dat alcohol voor Lucy gaandeweg iets anders is gaan betekenen dan voor haar. Ze houdt haar echtgenote voor veel verantwoordelijk, waaronder voor haar financiële welzijn. Zij schrijft over haar gehechtheid aan geld en hoe het bezit ervan haar angst voor ouder worden bezweert. Na een crisis krabbelen ze er samen weer bovenop en zij noteert over haar echtgenote: ‘Ik geloofde weer in haar onderneming, in haar kansen op succes. In haar als mens, als project.’ De vraag of een mens, je geliefde, een project kan zijn, zonder aan menselijkheid in te boeten, spookte door mijn hoofd.

Het moederschap hoorde in eerste instantie niet bij dat wat Levy voor zichzelf wil verwezenlijken. Zij hield van Joni Mitchell, die in Don Juan’s reckless daughter zingt over het zwerven over de ‘vast and subtle plains of mystery’. Het is wat Levy ook dacht te ambiëren. Reizen en goede verhalen schrijven, ontdekkingsreiziger boven alles. Daar komt verandering in. Die lijkt met name te maken te hebben met haar omgeving, waarin kinderen geboren worden. Voor Levy komt het zelfs ineens hierop neer: ‘Alleen het moederschap telde.’

Het leven dat eerder met veel ambitie geleefd is, wordt nu in een schel tl-licht beschouwd. Ze introduceert het beeld van de vrouwelijke vruchtbaarheid als een draak, die in de puberteit getemd diende te worden en gevreesd en die halverwege de dertig weer tot leven en vuurspuwen moet worden gewekt. Om haar heen worstelen leeftijdgenoten ook met zwanger worden. ‘Tegen de tijd dat wij de draak wilden wekken, was die verzwakt, gerimpeld. Oud geworden.’ IVF en wanhoop volgen.

Prenatale zwangerschap

Ze wordt uiteindelijk zwanger en daarover stelt ze: ‘Ik voelde me steeds minder een slecht mens.’ Dit bevreemdt: gelooft Levy dat het aanpalende moederschap haar een beter mens maakt? Of dacht zij eerder ‘defect’ te zijn? Dan: ‘Ik bespeurde onder mijn zwangere vriendinnen een zelfingenomen gevoel recht te hebben op de optimale zwangerschap (prenatale acupunctuur, alles biologisch) dat ik wansmakelijk vond.’ Hoe ze aanhoudend anderen in haar leven simplificeert en zichzelf compliceert begint inmiddels danig tegen te staan. Haar moeder bijvoorbeeld, die zeer ernstig ziek is geweest, valt enkele zinnen toe. Haar duidingsdrang richt zich wel uitgebreid op zichzelf. Van dit niet geringe verschil in interesse is Levy zich terdege bewust. Het lukt haar, deemoedig, over haar moeder te noteren: ‘Maar ik had er niet over willen nadenken hoe het moest zijn om haar te zijn.’

Een ramp voltrekt zich als Levy, moederziel alleen, een miskraam krijgt in een hotelkamer in Mongolië. Rouw overspoelt haar. Het huwelijk strandt. Ze beschrijft de miskraam op brute wijze – die elders openhartig is genoemd, maar die ik ‘toonzuchtig’ zou willen noemen. Ze neemt een foto als de vijf maanden oude, nog levende vrucht naast haar op de vloer van de badkamer ligt. Terug in de VS wil ze dat anderen naar deze foto kijken. De morele verontwaardiging die ze ervaart bij het ongeluk dat haar treft, overschaduwt nog nét niet dat ongeluk. Anderen moeten dat ongeluk, lijkt het, ook ondergaan, door naar de foto te kijken, of, iets verder uitgezoomd, door dit boek te lezen. Levy gaat arts na arts af om te horen hoe het heeft kúnnen gebeuren. Het valt niet mee inlevingsvermogen op te brengen voor haar verontwaardiging. Wat wel degelijk schrijnt, is dit verlangen: ‘Ik wist dat ik het niet hardop kon zeggen, maar ik keek de dokter strak in de ogen en probeerde hem met mijn wilskracht antwoord te laten geven op mijn vraag: hoe krijg ik hem terug?’

Daar komt Joan Didion terug in gedachten. Didion schreef The Year of Magical Thinking (2004), over de plotselinge dood van haar echtgenoot en het ernstig ziek worden van haar dochter. Waar Didion inzicht biedt in rouw en hoe wezensvreemd en niet voor waar aan te nemen de eeuwige afwezigheid is van iemand die je liefhebt, slingert Levy heen en weer in een giftige mix van (zelfmede-)lijden, toonzucht en sensatie. Ook sensatie óver haar eigen toonzucht. Alsof ze zegt: erg hè, dat ik zo ben, om dan vervolgens nog luider ‘zo te zijn’ en wéér triomfantelijk te zeggen: erg hè. Ze geeft zodoende wellicht inzicht in de rommeligheid van haar rouw, de emotionele loopgraven rond een miskraam. Zij rouwt immers om dat wat had kunnen zijn, beslist iets anders dan rouwen om dat wat geweest is. Maar haar beschrijving helt over naar slachtofferverheerlijking, naar leedheroïek, dat koud douchen of relativering per definitie uitsluit. Dat dit boek graag gelezen wordt – het is een pageturner genoemd, een moedig verslag – mag een sign of the times heten. Wie zijn wonden toont, zal entertainen. Wie zijn wonden toont, bedient een groot publiek.

Uiteindelijk hekelt Levy in het boek ook het recht op de uitzonderingspositie, die nu eenmaal niet massaal te hanteren valt. Oók Levy treft ongeluk, ook haar lichaam gehoorzaamt niet aan alle eisen van haar geest. Het is een inzicht waarvan Levy stelt het liever niet te hebben gehad. Dat is eerlijk te noemen. ‘Zien is veranderen’, schreef dichteres Adrienne Rich, maar veel liever willen we: niet veranderen. Levy schrijft: ‘Alles leek mogelijk voor iemand met vernuft, geld en doorzettingsvermogen. Maar je lichaam trekt zich van die spelregels niets aan.’ Dat het lichaam een van de grenzen kan zijn waar magisch denken op uit elkaar spat, is het hard gewonnen inzicht van dit boek te noemen.