Interview

Positief denken veranderde zijn leven

Roy Meyer

Na een onveilige jeugd ontdekte zwaargewicht Roy Meyer zijn spirituele zelf. De ellende van vroeger buigt hij nu om op de judomat.

Roy Meyer zwierf van internaten naar jeugdgevangenissen. „Ik miste de liefde van een gezin; het gevoel van veiligheid.” Foto Bram Petraeus

Met open mond staren de jongelingen van ZPC Het Ravijn naar de grote spierbundels van Roy Meyer. Het is vlak voor het WK judo dat nu in Boedapest aan de gang is als de judoka die uitkomt in de klasse boven de 100 kilo een clinic geeft in Nijverdal. Hij hoeft weinig moeite te doen om bij de jongens van elf tot zeventien jaar respect af te dwingen. Dat gaat als vanzelf met zijn lage stem en imposante voorkomen. Met speels gemak legt hij de Hongaarse ZPC-trainer Robert Munkácsy op zijn rug en hij speelt met de jonge waterpoloërs als ze hem proberen te verslaan in de judospelletjes.

„Ik ben hier niet om gewoon mijn dingetje te doen en wat extra geld op te strijken”, zegt Meyer, terwijl het zweet van zijn rug gutst. In de stoeipartijtjes met de jonge sporters heeft de judoka zich flink afgemat en – waar nodig – de jongens goed op hun nummer gezet. „Net als sommige jongens hier heb ik een lastige jeugd gehad. Ik was niet de gemakkelijkste vroeger en ik heb de warmte en liefde gemist die ik nodig had. Dat was moeilijk, maar ik heb daar ook een hoop van geleerd. Die lessen wil ik deze jongens graag bijbrengen.”

Roy Meyer in training:

Ruziënde ouders

Gefascineerd luistert de 15-jarige Bram naar het verhaal van Meyer. Ook deze jonge waterpoloër heeft problemen thuis. Hij herkent zichzelf in de judoka en wil geen woord missen. „Door te sporten kun je in contact komen met jezelf”, legt Meyer uit. „Het judo heeft mij zoveel gegeven.

Als ik de grote obstakels in mijn sport kan overwinnen, dan lukt me dat ook in de rest van mijn leven

De 26-jarige Meyer heeft veel meegemaakt. Al op jonge leeftijd had hij het lastig thuis. „Er was bij ons thuis veel agressie”, vertelt hij. „Mijn ouders [zijn vader komt uit Curaçao, zijn moeder is Nederlands, red.] hebben beiden een lastig verleden en met die littekens had ik te maken in mijn leven. Mijn ouders hadden vaak ruzie. Verbaal en fysiek ging het tekeer. Als klein jochie durfde ik niet alleen te slapen. Ik eiste dat mijn moeder bij mij op de kamer sliep.”

Door al die agressie thuis zocht Meyer zijn heil op straat. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat zwierf hij door de straten van Breda en haalde hij kattenkwaad uit. „Ik groeide op tussen de straatratjes. In onze buurt stond een groep van vijfentwintig jongeren te blowen en daar ging ik als achtjarige mee om. We haalden veel narigheid uit. Op mijn tiende was ik niet meer te handhaven en werd ik naar een internaat gestuurd.”

Niemand vertrouwen

Op het internaat ging het niet veel beter. Het jonge schoffie was lastig en dwars en moest van de ene naar de andere instelling. „Ze konden mij niet in het gareel houden”, vertelt hij. „Ik was niet gelukkig. Ik miste de liefde en de warmte van een gezin; dat gevoel van veiligheid heb ik jarenlang niet gehad. Zo’n internaat is een kunstmatige situatie. Daar zijn geen mensen die jou liefde geven. Ik kon daar niemand vertrouwen. Alles wat ik zei, belandde in een rapport. Op den duur vertrouwde ik niemand meer en raakte ik behoorlijk afgestompt.”

Op zijn dertiende kwam Meyer in een jeugdgevangenis terecht, de eerste van vier. Niet omdat hij crimineel was, maar omdat er in de internaten naar zijn zeggen geen plek voor hem was. „Ik was dwars, en daar zat ik plotseling tussen de mensen die zware feiten hadden gepleegd. Sommige jongens hadden een gewapende overval op hun geweten en anderen hadden iemand neergestoken. Dat waren de mannen met wie ik moest leven daar.”

Overleven, zo omschrijft hij die situatie. „Ik liep voortdurend op mijn tenen en moest overal rekening mee houden. Ik zat daar in een groep met jongens en daarin heerste een bepaalde hiërarchie. De oudere jongens waren de baas. Het was geen gemakkelijke situatie om in te leven.”

Intens verdriet, daarna de ommezwaai

In zijn cel vond Meyer de weg omhoog terug. Op zijn vijftiende trainde hij bijna niet meer. Hij rookte, deed af en toe een blowtje en dronk alcohol. „Volgens mij moet je eerst een dieptepunt ondergaan, voordat je kunt veranderen”, zegt hij. „In die jeugdgevangenis werd ik zo negatief afgeschilderd. Ik zou ADHD hebben, te druk zijn en onhandelbaar. Daar klopte niets van.” Alles wat hij in vertrouwen vertelde, kwam op papier terecht en Meyer werd steeds kwader. „Ik voelde me zo slecht behandeld. Zo erg was ik toch niet? Ook ik kon van andere mensen houden. Ik voelde zo’n intens verdriet en zo’n diepe frustratie dat ik besloot om daar weg te gaan.”

Op zijn zeventiende gooide hij zijn gedrag helemaal om. Hij maakte geen ruzie meer en hij ging scheldpartijen uit de weg. „Ik deed er alles aan om een ‘goede’ jongen te zijn. Zo kwam ik er achter dat mijn gespeelde, positieve gedrag zin had. In de gevangenis liep een jongen rond aan wie ik een grote hekel had. Normaal gesproken vochten wij altijd, maar nu besloot ik om naar hem te glimlachen. Tot mijn verbazing lachte hij terug. Dat was een eyeopener.”

Meyer dook de boeken in en las over spiritualiteit en verschillende religies. „Ik moest veranderen. Het boek De meesters van het Verre Oosten en mijn sterke geloof in God hebben mij het meest geïnspireerd. Met behulp van meditaties en ademhalingsoefeningen vond ik de kracht in mezelf terug. Ik kwam er achter dat ik mijn eigen leven, gedachten en emoties kon beïnvloeden. Ik ervoer ineens een grote rust. Ik ben erin gaan geloven en besloot om voor het positieve te kiezen. Het was geen act meer, maar kwam van binnenuit.”

Hij is nu minder agressief

Een half jaar later was Meyer de jeugdgevangenis uit: voor het eerst in zeven jaar woonde hij weer thuis. Bij zijn moeder dan – zijn ouders waren inmiddels gescheiden. „Mijn moeder heeft mij, op haar manier, veel liefde gegeven. Ik wilde graag weer bij haar wonen. Wel was ik alle structuur kwijt en moest ik mijn eigen boontjes doppen. Lastig, maar ik was vastbesloten om er iets van te maken. Ik had zo’n drang naar succes. Toen ik op mijn zeventiende weer met judo begon en tweede werd op een groot toernooi in Duitsland, was ik helemaal verkocht.”

Sinds dat toernooi in Bremen is Meyer niet meer van de judomat af te slaan. Met Mark van der Ham, zijn geliefde oud-trainer heeft hij zich de judoworpen in hoog tempo eigen gemaakt. Op het EK in Warschau won hij in juni brons. Op het WK in Boedapest gaat hij zaterdag opnieuw voor een podiumplaats.

„Ik ben niet zo agressief meer als vroeger”, zegt hij. „Er is meer rust in mijn leven gekomen. Bij mijn vriendin Dorée en mijn zoontje heb ik de warmte en de liefde gevonden waar ik naar op zoek was. Ik ben nog wel agressief, maar dat is alleen op de judomat. Dat is een gecontroleerde agressie die ik toepas om mijn tegenstander te verslaan.”