Recensie

Oordeel vooral zelf, maar verplaats je eerst in een ander

Filosofie

In zijn nieuwe essays laat filosoof Coen Simon zich op toegankelijke toon uit over het menselijk oordeelsvermogen en het publieke debat.

Still uit de recente SIRE-campagne ‘Laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn?’

‘Ik koester de hoop dat de standpunten van anderen mij een onpartijdige kijk op mijn eigen oordelen geven en dat ik daardoor tot een derde standpunt kom, dat beter is dan mijn vorige inzicht.’ Dit schreef Immanuel Kant in 1771 in een brief aan zijn vriend en leerling Marcus Herz, en het gaat als fraai motto (met nog twee citaten) vooraf aan het boek Oordeel zelf. Waarom niemand hetzelfde wil en iedereen hetzelfde doet van filosoof Coen Simon (1972). Een groter contrast met het publieke debat, zoals dat nu op de sociale media gevoerd wordt, is haast niet denkbaar, zo luidt de diagnose van Simon.

Simon schrijft essays voor NRC, Trouw en De Correspondent. Typisch beginnen die met een persoonlijke herinnering, waarna de auteur hardop nadenkt over onderwerpen uit het alledaagse leven, zoals schaamte, spijt of spel. Dit levert goede stukken op, mede doordat Simon helder en toegankelijk schrijft. Knap bespreekt hij zo met behulp van inzichten van denkers als Helmut Plessner, Johan Huizinga of Paul Valéry, een cultureel fenomeen (de verwarde man) of een voorval in de media (een uitzending van Pauw over vaccinatie).

Zijn stukken voelen soms wel een beetje ‘onaf’ aan, of vragen althans om nadere uitwerking, die tot scherpere en stevigere inzichten zou kunnen leiden. Als je bijvoorbeeld vindt dat politieke journalisten hun werk niet goed doen en daardoor het politieke spel van de democratie aan het oog onttrekken, of zelfs negatief beïnvloeden, hoe zit het dan met dat politieke spel in de eerste plaats? Als je dat niet grondiger uitlegt, zijn de conclusies van de auteur moeilijk te wegen.

Voor het boek als geheel geldt iets soortgelijks. Oordeel zelf is een bundeling van zestien stukken en heeft door de titel, het omslag, de tekst op de achterflap, de motto’s en het ‘Vooraf’ een duidelijk thema meegekregen. In een aantal stukken komt dit terug, maar soms is de rode draad dun.

Schimmig

Het actuele onderwerp van het boek is het menselijke oordeelsvermogen en het publieke debat. ‘Hoe kom je tot een eigen oordeel in een overvloed van meningen, feiten en alternatieve feiten?’ Maar na lezing van het boek blijft het schimmig wat een oordeel nu precies is, hoe het oordeelsvermogen functioneert, wat het verband is tussen oordelen en feiten, hoe je als individu van een eigen mening tot een algemeen gezichtspunt komt en hoe wij gezamenlijk tot een gemeenschappelijk oordeel komen.

Zich baserend op Kant en Hannah Arendt legt Simon kort uit dat een oordeel niet een louter subjectieve mening is, maar een vaststelling die een ander ook zo zou kunnen maken – vandaar dat Kant het oordeelsvermogen een ‘gemeenschappelijk zintuig’ noemde. Door dit zintuig te gebruiken, zijn mensen in staat om hun eigen oordelen ‘als het ware te vergelijken met de collectieve rede der mensheid’, in de woorden van Kant.

Maar hoe zich dit in de praktijk voltrekt, of hoe het überhaupt mogelijk is, die uitwerking komt niet van de grond. Dat is jammer, juist omdat Simon constateert dat de sociale media een ‘gemedialiseerde wereld’ vormen die ‘uit allemaal eilandjes vol zenders met eigen volgers en vloggers’ bestaat. Is een ‘gedeelde leefwereld’ waarin we tot gemeenschappelijke oordelen komen dan überhaupt nog wel mogelijk, en zo ja, hoe dan?

Het belang van het oordelen maakt Simon wel duidelijk, in een instemmende bespreking van een essay van Thijs Lijster. Als we niet oordelen, zijn we onverschillig, ook in politiek opzicht. Als we de maatschappelijke toestand niet in onze oordelen weten te vatten, is collectief handelen dat daarop gebaseerd zou moeten worden, ver weg. Een samenleving van burgers die op verantwoordelijke wijze hun toekomst willen vormgeven, maakt dus ruimte voor het oordelen.

In de analyse van Simon doen de sociale media het omgekeerde. Het publieke debat is op Twitter en Facebook niet gedemocratiseerd, maar ‘vooral gepolariseerd, geïroniseerd en gemoraliseerd’. Of polarisatie, ironie en het opgeheven vingertje nieuw zijn, vraag ik me af. Maar de nieuwe techniek ondermijnt in Simons ogen het vormen van een eigen mening. Anderen gaan je altijd al voor, je hoeft alleen maar te liken of te retweeten. Een post of een tweet is maar kort, berichten en reacties volgen elkaar zeer snel op en alleen verontwaardiging, gehakketak en spitsvondigheid komen bovendrijven.

Kunst en cultuur zouden een ideaal middel voor oordeelsvorming moeten zijn, maar lijden volgens Simon onder de tirannie van het ‘leuk’. Niet de inhoud, maar de persoon van de kunstenaar, het commerciële succes of het aantal ballen of sterren staan bij alle aandacht voorop.

Dit zijn geen nieuwe, maar wel nuttige vermaningen. Juist daarom verlang je in een boek naar filosofie die net wat grondiger is. Het Verlichte ideaal van Kant – niet je vast te bijten in je eigen gelijk, maar op zoek te gaan naar verbetering van je oordeel – verdient dat.