Column

Mooi en neerslachtig

Een schilderij zou je een verbeelding van de werkelijkheid kunnen noemen, maar soms is het precies andersom en lijkt de werkelijkheid een schilderij. Dat overkwam mij dinsdag, een dag die mogelijk de mooiste van het jaar was. Juist de schoonheid ervan maakte de lelijkheid van de drie vrouwen schilderachtig.

Eigenlijk waren het twee vrouwen en een meisje; zoals ze naast elkaar zaten op het bankje, ontbrak het alleen nog aan een lijst. Wie had het meisje van een jaar of negen, haar moeder en haar oma, van wie de schouders net zo futloos afhingen als de mondhoeken, zo naast elkaar gezet? En ze mooi filmisch gerangschikt, oplopend van klein en smal naar oud en fors? Misprijzend bekeken ze het Flevopark, dat de late zomerdag vierde als een geschenk waarop niet meer was gerekend. Zonder een vin te verroeren staarden ze naar het Nieuwe Diep, een meer waarop een jolletje, een rubberbootje, een paar eendjes, een langs scherende aalscholver gezamenlijk het woordje ‘lief’ tekenden.

Lief waren deze vrouwen niet. Ik kon mijn ogen niet van ze afhouden. Kende ik dit beeld niet uit een of andere Deense arthousefilm? Schitterende openingsscène: oma, dochter en kleindochter, roerloos en neerslachtig om redenen die later in de film pas duidelijk zullen worden. Overal vrolijk gekwetter en zij maar zwijgzaam voor zich uit zitten kijken, ongevoelig voor het getokkel van Spaanse gitaren, voor het roffelen van conga’s in de verte.

Hun zomerjurken zaten als klamme lappen tegen hun ranke, respectievelijk tamelijk brede en ontzettend brede lijven geplakt. Wat een klotenweer, zag je de dames denken. Klotenpark, klotenvolk.

Misschien waren ze het zwembad, achter hun ruggen een poel van kirrende levenslust, ontsnapt. Hoopten ze buiten de hekken, op een bankje in de bocht bij een wandelpad met uitzicht op water, eventjes alleen te zijn. Kansloos natuurlijk. Het park kleurde donkergroen, de roest kroop al door de bomen — een opgewekt soort ‘nu of nooit’ had zich van de stad meester gemaakt. Deze laatste zonnewarmte wilde niemand missen.

Een echtpaar met een hondje passeerde. Aandoenlijk parmantig dook het beestje achter een stok aan, het Nieuwe Diep in. De stok was van een ander hondje, dat maakte het grappig. Op het bankje bleven de mondhoeken omlaag.

Lange tijd zaten ze onbeweeglijk naast elkaar met de handen in de schoot. Toen stond ineens de oudste op en waggelde naar een bosschage bij het meer. Haar dochter en kleindochter volgden zonder iets te zeggen. Ze spreidden hun handdoeken op het gras en gingen erop zitten, met hun ruggen bijna demonstratief naar het wandelpad gekeerd en met hun neuzen praktisch in de brandnetels. Zo zagen ze alleen nog de struiken en de brandnetels, als Boeddhabeeldjes in de schaduw. Hoe lang ik ook wachtte, er kwam geen regisseur om te vertellen dat het er mooi opstond. Maar mooi was het, de scène van het meisje en haar moeder en haar grootmoeder, drie chagrijnen op een vredige stralende dinsdagmiddag in augustus.

Auke Kok is schrijver en journalist.