Cultuur

Interview

ANP / Evert Elzinga

‘Als het om een verkeersongeluk gaat, doet godsdienst er niet toe’

Het verhaal van de politie

Op 10 juni reed een auto in op passanten op het drukke plein voor Amsterdam CS. Nog altijd zijn er mensen die denken dat het een aanslag betrof, en dat dit door de autoriteiten wordt verzwegen. NRC vroeg betrokken politiemensen zo gedetailleerd mogelijk te vertellen wat ze hebben gezien, gehoord en gedaan.

Een donkergekleurde Peugeot reed zaterdagavond 10 juni rond 20.50 uur over het drukke plein voor Amsterdam CS. Zes mensen raakten gewond, van wie twee moesten worden geopereerd wegens botbreuken.

Ongeveer anderhalf uur na de aanrijding meldde de Amsterdamse politie via Twitter dat de bestuurder van de Peugeot waarschijnlijk onwel was geworden. Later die avond werd bekend dat het om een suikerpatiënt ging. De gebeurtenis trok de aandacht van media in binnen- en buitenland, ook gezien aanslagen kort daarvoor in Londen en Stockholm. Daarbij waren ook voertuigen ingereden op het publiek. Ook was er 10 juni veel te doen over een dreiging rond concerten van Guus Meeuwis.

Diezelfde avond al begonnen in de media en op sociale media speculaties dat het ook in Amsterdam om een aanslag zou gaan en dat de politie informatie had achtergehouden. Daarnaast was er veel kritiek op de informatievoorziening door de politie. Ze zou bijvoorbeeld te vroeg en te stellig hebben gemeld dat het om onwelwording ging. Vorige week liet een (inmiddels gearresteerde) politiemedewerker de persoonsgegevens van de bestuurder van de auto uitlekken naar de website GeenStijl. Daaruit bleek dat het om een 45-jarige man ging, geboren in Casablanca (Marokko). Erik Akerboom, korpschef van de Nationale Politie, liet in een mail aan het politiepersoneel weten het lek „stuitend en onacceptabel” te vinden omdat het polarisatie aanwakkerde. GeenStijl zag juist een nieuwe aanwijzing dat de politie belangrijke informatie had achtergehouden. Als de politie de voornaam van de bestuurder bekend had gemaakt „dan gelooft helemaal niemand meer dat het géén aanslag was”, aldus GeenStijl, dat overigens zelf ook de mogelijkheid openhield van een ongeluk. Inmiddels is het politieonderzoek afgerond. Het Openbaar Ministerie moet nog beslissen over mogelijke vervolging van de bestuurder.

Vijf politiemensen vertellen hieronder voor het eerst wat er volgens hen op en na 10 juni gebeurde.

  1. De agente die de aanrijding voor Amsterdam CS meemaakte

    Op zaterdagavond 10 juni stond ik met mijn collega bij het muurtje bij de ingang van de metro voor de ingang van CS. We stonden het plein te observeren. Uit het niets hoorden we ineens een dof geluid van – wat later bleek – een auto die een stoep meepakte. We zagen hoe de auto de trambaan op was gereden, even verderop, aan de westelijke kant van CS. Die auto hoort daar niet, dus hij had onze aandacht. We gingen er met z’n tweeën op af toen de bestuurder afremde en niet verder kon. Er stond een tram voor hem, er naderde een tram achter hem, naast hem hoge stoepen. Ik hield de auto staande. Ik vroeg de man om zijn rijbewijs en heb hem een proces-verbaal aangezegd. Hij leek loom en kwam ongeïnteresseerd op mij over. De bestuurder zat in zijn boekje te bladeren waar z’n pasjes in zaten. Zijn rijbewijs zag ik wel zes keer langskomen. Ik dacht: Waarom pak je dat nou niet? Maar ja, dat komt wel vaker voor. Mensen willen je dan uittesten, kijken hoever ze kunnen gaan. Ik zeg tegen hem: ‘Joh, ik heb dat rijbewijs meerdere keren voorbij zien komen. Ik wil het nu graag hebben, geef het nu maar.’ Toen heeft hij het rijbewijs langzaam uit zijn boekje gehaald en aan mij gegeven. Ik heb het document ter plekke door de politiesystemen gehaald. Ik zag dat de man niet gesignaleerd stond. Daarna heb ik een foto van rijbewijs en kenteken gemaakt, zodat die man daar snel weer weg kon.

    Ik gaf zijn rijbewijs terug en zei hem: ‘Rijdt u alstublieft rustig weg via de trambaan, er steken hier veel mensen over. Kijk uit, want als u gekke dingen doet, heb ik uw gegevens.’ Hij deed wat langzaam zijn rijbewijs in zijn portemonnee terug. Ik zei hem toen: ‘U moet opschieten, u houdt alles op.’ Toen is hij langzaam weggereden, de trambaan af, met de bocht mee naar rechts. Ik keek de auto na en hoorde het toerental van de motor flink omhoog gaan. Meteen daarna hoorde ik een knal, en zag ik iemand door de lucht vliegen.

    In mijn opleiding heb ik meegekregen wat suikerziekte inhoudt. Maar ik ben geen verpleegkundige. Om signalen daarvan te herkennen, moet je medisch geschoold zijn. Ik denk niet dat we als politiemensen hiervoor meer training moeten hebben. Daarvoor zijn er te veel verschillende signalen mogelijk. Ik heb de situatie op dat moment niet onderschat. Ik heb mijn werk gedaan.

    Nadat ik de knal had gehoord, ben ik er samen met mijn collega op afgerend. Een toerist die me iets wilde vragen, heb ik opzij geduwd. Ik rende terug naar het muurtje bij de metro-ingang, daar was de auto tegenaan gebotst. Ik wilde de bestuurder binnen hebben zitten (politiejargon voor arresteren en afvoeren, red.). Mijn eerste associatie was, hoe zal ik het netjes zeggen: ‘Wat een gek, wat een idioot’. Toen ik aankwam bij de auto zag ik de man die door de lucht was gevlogen, op de grond liggen. Dat was een heel naar beeld.

    Ik had geen associaties met terreur met auto’s. Naderhand vroeg ik mezelf af: waarom eigenlijk? Misschien kwam het omdat ik een bepaald contact met die meneer in die auto had gehad. Het is een bepaald instinct, denk ik. Je komt in mijn beroep met zoveel mensen in aanraking. Ik zit twee jaar in het vak met veel publiek contact tussen de mensen. Ik deed eerder surveillance-werk in Aalsmeer, en was in juni twee maanden actief in hetzelfde werk bij station CS. Daar bouw je een bepaalde mensenkennis van op.

    Ik heb me op de bestuurder geconcentreerd, en toegesnelde collega’s gevraagd zich om de slachtoffers te bekommeren. Ik heb de bestuurder zelf niet uit de auto gehaald. Dat hebben BOA’s (buitengewone opsporingsambtenaren) in burgerkleding van de NS gedaan. Toen we hem boeiden en afvoerden werkte hij niet tegen. Je merkte wel dat hij geschrokken was, overwhelmed. Zo’n houding van: Wat gebeurt me nu? In mijn bevindingen was hij niet agressief, zoals omstanders achteraf hebben verklaard.

    De man keek mij niet aan, hij heeft geen woord gezegd. Eerder had hij ook geen commentaar gehad toen ik hem een procesverbaal aanzegde. Hij nam het rustig op.

    Ik heb de man vervolgens met z’n gezicht naar beneden afgevoerd, voor de privacy om zijn rechten als verdachte te waarborgen. Tegenwoordig kunnen omstanders van alles filmen en fotograferen en op internet zetten. Voor het geval de bestuurder niet zou meewerken, hebben we hem naar het dichtstbijzijnde politiebureau gebracht op CS. Daar hebben we hem overgedragen aan een hulpofficier van justitie. Die toetst of de aanhouding rechtmatig is.

    Van dat beeld van die man die naast de auto lag, heb ik later nog wel last gehad. Mijn hartslag schiet nog weleens omhoog na het horen van een doffe, harde knal. Maar dat wordt gelukkig al minder. Ik droom er niet van. Mede door de heel goede begeleiding erna en enorm betrokken collega’s, heb ik er geen last van gehouden en ben meteen weer aan het werk gegaan, de eerste twee weken wat minder in de buitendienst. Wat ook erg fijn was: dat burgers ons daarna mailden dat ze het politieoptreden die avond zo rustig en professioneel hadden gevonden. Er is, toen het allemaal gebeurde, geen grote paniek uitgebroken. Binnen een mum van tijd was het plein voor CS afgezet. De trams, de bussen, de taxi’s, de rondvaartboten, alles lag binnen een paar minuten stil. Een gezin schreef ons later: Als er een aanslag komt, dan weten we dat de Amsterdamse politie er klaar voor is.

    In verband met mijn eigen herstel heb ik na de gebeurtenissen geprobeerd de sociale media en andere media te mijden. Dat is niet helemaal gelukt. Je bent toch nieuwsgierig. Ik heb het precies twee minuten volgehouden.
    Daarna heb ik al die verhalen dat het een aanslag was et cetera, weggeklikt. Verder lezen was niet goed voor mijn herstel. Dat ik hier nu toch – weliswaar anoniem – mijn verhaal doe, is omdat ik hoop dat mensen iets meer begrip krijgen voor wat er toen gebeurde. En dat ze zich in onze situatie inleven en zich afvragen: Wat zou ik doen? Zou ik op zo’n moment naar die plek bij dat metromuurtje zijn gerend? Zou ik niet liever stil zijn blijven staan? Of zijn weggerend?”

    Politie-onderzoek op 10 juni voor het Centraal Station van Amsterdam.
    Evert Elzinga/ ANP
  2. De teamleiders die onderzoek deden

    Als lid van de calamiteitenunit van de districtsrecherche had ik die avond piketdienst. Wij zijn diezelfde avond en de volgende dag twee scenario’s gaan uitwerken. Of we hebben met een ongeval te maken, of er is opzet in het spel. Om een goede keus te kunnen maken, heb je aanvullende kennis van specialisten nodig. Die heb ik erbij gehaald, onder meer van de CTer-afdeling: contra-terrorisme, extremisme en radicalisering. Daarnaast moet er een verdachte gehoord worden. Er zijn zes slachtoffers van wie de namen bekend zijn. Van hen moeten aangiftes komen. Van getuigen die bekend zijn moeten verklaringen worden opgetekend. En: we gaan ‘inbreuk maken op de rechten van de verdachte’, zoals dat heet. We gaan zijn telefoon en woning doorzoeken, zijn voertuig doorzoeken. Als alle bevindingen binnen zijn, kies ik samen met de officier van justitie: welk scenario wordt leidend?

    Het onderzoek verliep vrij soepel. De verdachte was goed aanspreekbaar, heel meewerkend, gaf overal antwoord op, gaf meteen de code van zijn telefoon, van zijn computer. De collega’s die zijn verhoor deden, kwamen terug met het verhaal: Joh, het was een ongeval. De man heeft een medische aandoening, die is suikerpatiënt. Hij kan zich de gebeurtenissen helemaal niet meer herinneren. Hij verklaarde dat hij in de auto zat, zich niet helemaal lekker voelde, naar huis wilde rijden en pas weer bij kwam toen hij in de cel zat. Vreemd natuurlijk, want hij had bewust handelingen moeten verrichten tijdens zijn staandehouding door mijn collega. Later begreep ik dat je het een beetje kunt vergelijken met dronkenschap: terwijl je dronken bent, verricht je allerlei handelingen waarvan je je de volgende dag niks meer herinnert.

    Tijdens zijn verhoor hebben we hem ook vragen gesteld over eventuele godsdienstaanhanging en geloofsbeleving. De resultaten kunnen we hier niet delen in verband met de privacy van de verdachte. Als het om een verkeersongeluk gaat, doet godsdienst er niet toe. In het geval van terrorisme natuurlijk wel.

    Er kwamen collega’s uit de ziekenhuizen die bij de slachtoffers waren geweest. Die gaven een heel ander beeld. Een aantal van de slachtoffers had het verhaal: „Het is een bewuste actie van deze meneer geweest.” Zo zeiden ze: „We stonden met een clubje bij elkaar op het plein voor het station. Die meneer ziet ons staan en rijdt zo op onze groep in.” En vervolgens kwamen er getuigen die hetzelfde verklaarden.

    We legden de getuigenverklaringen en die van de slachtoffers naast onze andere bevindingen, bijvoorbeeld van de onderzoeken in zijn huis, auto en telefoon. We zochten naar aanwijzingen voor opzet: is er een plan, een plattegrond van het plein voor CS, zwarte vlaggen? Of: Zijn er aanwijzingen dat er voorbereidende gesprekken zijn gevoerd? Die troffen we geen van allen aan. Ook zoeken we altijd naar contra-indicaties: aanwijzingen dat het juist niet om bepaalde terreur gaat, zoals de aanwezigheid van alcohol in huis.

    Dan was er nog de auto. Daarin lag een meter die het bloedsuikerniveau registreert. De bloedsuikerpomp die erbij hoorde, zat vast aan het lichaam van de bestuurder, onder zijn kleding. Dat verklaart waarom de agent die de bestuurder in eerste instantie staande hield, die pomp niet heeft gezien. Het uitlezen van alle gegevens duurde enkele dagen, want het was zondag. Wel hadden we de uitslagen van de testen die al na een uur na het incident waren gedaan door een GGD-arts die we erbij hadden gehaald. Daaruit was al gebleken dat de bloedsuikerspiegel van de man heel laag was. De resultaten van het uitlezen van de meter in de dagen erna bevestigden die conclusie.

    Vervolgens kwam er een belangrijke tegenslag: er bleken geen bruikbare camerabeelden te zijn van het moment van de aanrijding. Heel jammer, want die leveren de meest objectieve aanwijzingen op. Als die beelden er waren geweest was er waarschijnlijk niet zo’n rumoer op sociale media ontstaan. Camerabeelden kunnen geruchtvorming en complotdenken wegnemen; niet alle, wel veel. Je ziet meer wat er feitelijk gebeurt: snelheid, vreemde stuurbewegingen, hoe doelgericht wordt er gereden, noem maar op.

    Bij gebrek aan bruikbare beelden werden we afhankelijk van de waarnemingen van collega’s en van omstanders. Dat zijn allemaal waarnemingen onder stress. Heel veel mensen die daar liepen op het plein voor CS, zullen gedacht hebben: Dit is een aanslag. Het stress-level zit dan meteen heel hoog. Maar los daarvan: getuigen zien dezelfde dingen vaak verschillend. Mensen zeiden dat de bestuurder agressief was. Volgens de agente die hem sprak, was hij juist loom. De ene getuige zei dat de auto 50 kilometer per uur reed, de andere kwam uit op 100 kilometer per uur.

    De ene getuige zei dat de auto 50 kilometer per uur reed, de andere kwam uit op 100 kilometer per uur

    Op basis van al deze informatie concludeerden we dat een ongeval, dus geen bewuste opzet, het meest waarschijnlijk was. Je weet nooit wat er op het cruciale moment door het hoofd van zo’n bestuurder gaat. Je kunt alleen proberen met behulp van aanwijzingen de waarheid zo goed mogelijk te benaderen. Na onze conclusie hebben we het onderzoek overgegeven aan de collega’s van het Team Opsporing Ernstige Verkeersongevallen.”

    De leider daarvan vertelt verder: „Het is onze taak verder onderzoek te doen naar de toedracht van ernstige verkeersongelukken met ernstig gewonde slachtoffers. We hebben in de week na die bewuste zaterdag onderzoek gedaan naar de verdere toedracht van het ongeval. Daarbij hebben we ook tegen elkaar gezegd dat we scherp moesten blijven op signalen dat er toch iets anders aan de hand was geweest. Het was een unieke situatie op een unieke locatie, in tijden van aanslagen met auto’s.

    Het verloop van deze zaak in nieuwsberichten.

    Om de toedracht verder te onderzoeken hebben we getuigen nader gehoord, zoveel mogelijk camerabeelden verzameld van bijvoorbeeld particulieren in de buurt, en van het gemeentelijk vervoersbedrijf en de NS. Ook hebben we resultaten van bloedproeven op de bestuurder bekeken. Uit die laatste bleek geen aanwezigheid van sporen van alcohol of drugs.

    Ook wij constateerden dat er geen bruikbare camerabeelden van het incident waren. Geruchten dat die er wel waren, berustten op een misverstand. Mensen hadden gevraagd: ‘Hebben jullie beelden?’ Het antwoord luidde, bijvoorbeeld bij NS: ‘Er hangen camera’ s.’ O, maar dan zijn er dus ook beelden, was de conclusie van de vragenstellers.

    Ook geruchten dat de bestuurder eerder al opvallend rijgedrag had getoond elders in de stad, klopten niet; de camera-beelden daarvan toonden eenzelfde merk auto, dezelfde kleur, maar een ander type. Wel zijn er beelden van de aanloop naar de staandehouding. Drie camera’s aan de westzijde van het station laten verschillende dingen zien. De eerste hoe de auto door het beeld rijdt waarbij je voetgangers ziet versnellen, waarschijnlijk om de auto te ontwijken. Je ziet mensen de auto nakijken. Bij beelden van de tweede camera zie je hoe de auto tegen een stoeprand rijdt, waarschijnlijk de knal die mijn collega heeft gehoord die stond te observeren bij het metro-muurtje. De auto komt even omhoog en rijdt door. Camera drie laat de auto op ogenschijnlijk hogere snelheid zien; mensen stappen weg bij de auto, lijken te schrikken. Pas als hij zich vastrijdt achter de tram, komt de auto tot stilstand. Het hele tijdframe van die drie camera’s is van 20 uur 43 minuten en 26 seconden tot 20 uur 43 minuten en 45 seconden. Negentien seconden dus.

    In het gebied van het incident staan mobiele camera’s. Die kunnen bewegen, maar zijn vooraf ingesteld op bepaalde posities – pre-set. Ze zijn gericht op plekken die we vanuit de openbare orde van belang achten. Welke, kunnen we niet zeggen. Het gebied dat via de preset-positie in beeld werd gebracht, was een ander dan de plek van het ongeluk. Overigens werd 20 seconden na het ongeluk een camera wel die kant opgedraaid. Inmiddels hebben stadsbestuur en raad afgesproken dat we die camera-posities gaan evalueren. De evaluatie loopt nog.

    We vonden geen signalen dat er meer aan de hand was geweest dan een ongeluk. Daarbij werden we gehandicapt door het ontbreken van camerabeelden van de aanrijding. Wat wel hielp waren de bloedsuikermeter en pomp . Aan de hand van de gegevens daarvan kun je aantonen dat iemand op een bepaald moment hoogstwaarschijnlijk een hypo heeft gehad (een aanval van duizeligheid of iets anders door een afwijkende bloedsuikerspiegel, red.). Dat was het geval tijdens het incident.”

  3. De politiewoordvoerders en de (sociale) media

    We zijn een 24/7 organisatie. Bij de afdeling communicatie hebben we altijd iemand in piketdienst beschikbaar om de buitenwereld te vertellen wat er gebeurd is na bijvoorbeeld incidenten of calamiteiten. Daarbij krijg je voortdurend te maken met het dilemma van snelheid tegenover zorgvuldigheid. Je wilt, zeker in een tijd van aanslagen in Europa en het bestaan van sociale media, zo snel mogelijk beschrijven en duiden: Wat is hier aan de hand?

    Niets zeggen is geen optie. Je weet: als je te lang wacht gaan mensen zelf conclusies trekken, zeker als omstanders zelf ook dingen hebben gezien, zoals in dit geval, en hun eigen waarnemingen gaan delen via sociale media. Maar je weet ook: alles wat je zegt kan voeding geven aan bepaalde speculaties of geruchtvorming. Vooral het eerste uur is daarbij belangrijk. Het Gouden Uur noemen we dat.

    Je weet: alles wat je zegt kan voeding geven aan bepaalde speculaties of geruchtvorming

    In dit geval ging er in dat eerste uur meteen iets mis. We twitterden dat de bestuurder aanvankelijk was staande gehouden en ‘ervandoor was gegaan’. Dat bleek al snel daarna niet te kloppen. Hij was weggestuurd, zoals we even later meldden. Mensen denken dan al snel: Hé, de politie spreekt zichzelf tegen, ze hebben zeker iets te verbergen. Terwijl je ook kunt zeggen: het verhaal ontwikkelt zich. Daarbij wordt soms, naar naderhand blijkt, verkeerde informatie doorgegeven. De les die we daaruit trekken is dat we, juist ook in onze tweets, er meer de nadruk op moeten leggen dat het verhaal zich zo kort na het incident ontwikkelt en dat de informatie dus nog kan veranderen. Er is geen tegenstelling tussen bericht A en bericht B, het blijkt gaandeweg de avond gewoon anders te zitten. Je moet er niet van uitgaan dat het publiek dit meteen begrijpt.

    Om tien over tien, ongeveer anderhalf uur na de gebeurtenissen op het stationsplein, tweetten we: ‘Verdachte gesproken. Lijkt niet te gaan om opzet maar een onwelwording, uiteraard doen we verder onderzoek om eea uit te sluiten’. Ook dat voedde de achterdocht, bleek al snel, omdat we daarmee zo snel waren. Hoewel we dus een slag om de arm hielden, concludeerden veel mensen op sociale media dat we dingen onder tafel wilden vegen. Er werden vergelijkingen gemaakt met het optreden van de politie in Keulen, in de Oudejaarsnacht van 2015 op 2016. Zulke gebeurtenissen versterken het wantrouwen tegen instituties. Kennelijk hadden we meer moeten uitleggen hoe we bij die conclusie over die onwelwording kwamen, al reageerden veel traditionele media toen al ingetogen. We kregen de maandag daarop van De Telegraaf zelfs een compliment voor onze communicatie.

    Wat ook niet goed ging: We zeiden de volgende dag, nota bene op camera, dat we huiszoeking aan het doen waren, en waarom, namelijk om zo veel mogelijk te kunnen uitsluiten dat er van opzet sprake was. Maar wat ging er rond op sociale media en ook gewone media? Dat er een inval was geweest in het huis van de bestuurder.

    Aha, denken mensen: Zie je, er is toch meer aan de hand. Kennelijk moet je in zo’n geval expliciet uitleggen dat het juist níet om een inval gaat. En dat degene om wie het gaat toestemming heeft gegeven voor de huiszoeking bij hem thuis. Je kunt er niet van uitgaan dat mensen het onderscheid tussen een inval en een huiszoeking kennen. Dat moet je meer uitleggen.

    Wat de politie ook zegt, het wordt niet geloofd: Rechts op het web suggereert: het was een aanslag, geen ongeluk

    De druk wordt opgevoerd om informatie te delen. Maar we moeten voortdurend rekening houden met de positie en privacy van de verdachte. We moeten ons aan de wet houden. Straks krijgt iemand strafvermindering omdat zijn privacy gedurende het onderzoek is geschonden door de politie.

    Vanwege die privacy hebben we ook niets gezegd dat in verband kan worden gebracht met bijvoorbeeld geloof. Stel je voor dat we bijvoorbeeld iets over de Ramadan hadden gezegd die toen gaande was. Dan had je geruchten over een terreuraanslag toch weer versterkt. IS had zelf gezegd in de Ramadanmaand aanslagen te willen plegen.

    In verband met diezelfde privacy wilden we liever geen medische gegevens bekendmaken. Dat deden we toch, bijvoorbeeld dat de bestuurder suikerpatiënt was en een pomp bij zich had. Daarin zie je dat onder druk van sociale media en, in dit geval, terreurdreiging de grenzen van de privacy aan het opschuiven zijn. We zijn daar niet blij mee en hebben daarmee geworsteld. Ook al omdat wij geen arts zijn. We hebben geen verstand van insuline of suikerspiegelgehaltes. Daarover hebben we wel deskundigen geraadpleegd, zoals de GGD-arts. En tegen andere medisch specialisten hebben we gezegd: Als je met dat verhaal in de media wil, doe dat vooral. Sommigen van die deskundigen hebben we even later inderdaad teruggezien in de media. Omgekeerd zeiden we tegen journalisten die ons belden over de gebeurtenissen bij Amsterdam CS: Als je medici zoekt die er veel van weten, dit zijn goede deskundigen. Ook die experts zagen we later soms terug in de publiciteit, maar soms ook niet. Wat ook had geholpen was, als de advocaat van de bestuurder naar buiten was getreden om uit te leggen wat er was gebeurd. Die advocaat hebben we echter nooit in de publiciteit gezien.

    Ingrijpend was het lek uit ons politiesysteem naar GeenStijl.nl, vorige week. Daardoor kwam de naam van de bestuurder op straat te liggen. Veel collega’s reageerden boos, of teleurgesteld om het zwak uit te drukken, omdat hun werk in diskrediet was gebracht. GeenStijl stelde dat we ten onrechte de naam van de bestuurder achterhielden, terwijl we die bij verkeersongevallen nooit bekendmaken. De lekkage versterkte de noodzaak voor ons om zelf iets te doen, om zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen. Dat kon pas nadat ons onderzoek was afgerond.

    Tot dan toe hadden media ons alleen naar bepaalde aspecten, deelonderwerpen gevraagd, waarop we hebben gereageerd. NRC was het eerste en enige medium dat ons vroeg het hele verhaal te vertellen. Daarmee hopen we meer duidelijkheid te geven.

    We willen als communicatieafdeling niet bijdragen aan twijfel en achterdocht in de samenleving, maar juist meer helderheid scheppen. Daarin zijn we tot nu toe overduidelijk niet geslaagd. Wat je dan niet moet doen is anderen de schuld geven. Bijvoorbeeld zeggen, zoals wij in NRC in juni deden, dat anderen je toch niet willen geloven, omdat die domweg willen dat er een aanslag is gepleegd. Natuurlijk is er met name op sociale media een hardnekkige onderstroom van complotdenkers die je nooit zult kunnen overtuigen, hoezeer je ook je best doet. Maar dat is niet de belangrijkste les. Die is dat we meer uitleg moeten geven die een kritisch publiek kan overtuigen.”

  4. Naschrift en correctie (4 september 2017): In dit artikel is een foto vervangen waarop het kenteken zichtbaar was van de bestuurder. Verder werd de functie van Ruben Sprong in een inzet in dit artikel eerst omschreven als ‘woordvoerder en tot voor kort inspecteur’. Dat moest zijn ‘plaatsvervangend hoofd, tevens hoofdinspecteur bij hetzelfde korps’.