Het raadsel van het even nachtblind zijn

Je wordt wakker in de donkere nacht en dan duurt het een tijdje voordat je dingen ziet. Hoe komt dat eigenlijk?

Als een proefpersoon plotseling in het duister komt, gaan de pupillen eerst ver open. Foto Istock

Een klein huisje op het platteland van Frankrijk. Het is nacht, stikdonkere nacht, nergens brandt een lichtje, ook de maan laat zich niet zien. Na een paar uur slaap word je wakker van een raar geluid, alsof er iets door de kamer stommelde. Of was het buiten, op het terras, bij de plastic stoelen? Wat voor kamer is dit eigenlijk? Je ziet geen hand voor ogen. Pas na vele seconden doemen vaag de contouren van een kast en een nachtkastje op. Het is een slaapkamer in Frankrijk.

Zo zou je best een spannend verhaal kunnen beginnen en dan zou de lezer almaar moeten denken aan dat geluid dat zo vreemd was (het was een parasol die omwoei) en zou hem de meest intrigerende mededeling ontgaan: dat de contouren van kast en kastje pas na vele seconden zichtbaar werden. Waarom niet meteen?

Dat proberen we vandaag uit te zoeken en het zal bij tasten in het duister blijven, want er waren zo gauw geen autoriteiten te vinden die zekerheid konden geven.

Gepruttel van jonge baby

Lang, heel lang geleden, toen er nog geen internet of e-mail was, toen is hier een waarneming besproken die raakt aan het Franse raadsel. Een al wat oudere jonge vader die wakker werd van het gepruttel van zijn jonge baby, schuifelde door het duister op de tast naar haar bed en werd daar prompt trefzeker bij zijn neus gegrepen. De zuigeling zag beter in het donker dan haar vader, concludeerde hij, maar geraadpleegde deskundigen wilden daarin niet meegaan. Nooit van gehoord.

Had hij gevraagd: kan het zijn dat een – oudere – volwassene slechter in het donker ziet dan een jong kind, dan was het antwoord zeker ‘ja’ geweest, want het staat vast dat bejaarden hun pupil lang zo ver niet open krijgen als jonge kinderen. Dat vermogen neemt met de jaren af. En wie goed in het donker wil zien moet zijn pupillen wijd open hebben.

De kern van het Franse raadsel is dat het netvlies van de slaper na een paar uur slaap ongetwijfeld volledig donker-geadapteerd was, dus dat het daaraan niet kon liggen dat het zo lang duurde voor hij wat zag. Waaraan dan wel? Slaapdokter Michael J. Breus, PhD, ABSM, geeft op internet de hersenen de schuld, die hebben bij het ontwaken altijd wel 30 seconden nodig voor ze de signalen van het netvlies kunnen verwerken – hij gebruikt de term rebooten. Het is een bewering die de ontkrachting in zich meedraagt, want vanaf welk moment telt de slaapdokter de seconden? Stelt hij zich de overgang tussen slapen en waken als een abrupte verandering voor? Iets momentaans?

Pupilreactie

Google Scholar schuift direct de pupillen naar voren. Er is indrukwekkend veel onderzoek gedaan aan de werking van pupillen en – vooral – aan de mogelijkheid om uit een verstoorde werking het voorkomen van ziekte, drugsgebruik of oververmoeidheid af te leiden. Interessant is de pupilreactie van de proefpersoon die vanuit gedempt daglicht in een volkomen verduisterde omgeving wordt gebracht. Eerst gaan zijn pupillen, zoals je verwachten zou, flink ver open, maar na een paar minuten beginnen ze zich weer te vernauwen en geleidelijk zakken ze, karakteristiek oscillerend, naar steeds kleinere diameter. De gang van zaken is met infrarood-apparatuur te volgen, zelfs is het gelukt vast te stellen wat de pupil doet van een proefpersoon die in slaap valt, want je kunt het dichtvallen van de oogleden met een steuntje, een crutch, verhinderen. (Robert E. Yoss en anderen in Neurology, 1970.)

Tijdens de slaap is de pupil praktisch gesloten, dat is de contra-intuïtieve uitkomst van dit werk. Is het raar om te veronderstellen dat de pupillen bij het wakker worden weer even tijd nodig hebben om zich te verwijden?

Google Scholar heeft een tweede mogelijke verklaring voor het Franse raadsel: het Mandelbaum-effect. Bij het ontwaken in een stikdonkere kamer hebben de ooglenzen een accommodatie-probleem. Ze weten niet waarop ze moet scherpstellen en accommoderen gemakshalve meestal op een punt dat één meter voor het gezicht ligt. Dat heet de ‘dark focus’ . Het duurt natuurlijk even voor de ogen, zoekende door de kamer, iets vinden waarop ze beter kunnen scherpstellen.

Hoofdrol

Het lijkt erop dat de pupillen toch de hoofdrol spelen. Tegen het eind van een middagdutje, de ‘daytime nap’ van twintig minuten op de bank, kan het gebeuren dat de middagslaper gewekt wordt door een plotselinge, frappante toename van de hoeveelheid licht die het netvlies bereikt – terwijl de oogleden nog steeds gesloten zijn en er in de normaal verlichte omgeving verder niets veranderde. Let er eens op, zeldzaam is het niet. Je zou zweren dat op dat moment de pupillen, die in de nauwe slaapstand waren geraakt, opeens weer opentrekken. Oftewel: het werd licht omdat je wakker werd, dat is weer eens wat anders.

De waarneming spoort niet helemaal met de beschreven nachtelijke belevenissen in de stikdonkere kamer omdat de pupildilatatie juist extra vroeg in het onwaakproces valt. Anderzijds is het middagdutje fysiologisch gezien niet te vergelijken met de nachtslaap. Er is geen reden de AW-verklaringen gelijk al te verwerpen.