Column

Het leven na de vakantie

Het einde van de vakantieperiode nadert. Dat zet veel mensen aan het denken over hun werk. Willen ze op dezelfde voet doorgaan of stellen ze hun ambities bij en gaan ze iets heel anders proberen?

Dat kan ook voor columnisten gelden – dus ook voor mij. Nee, ik ga niet iets heel anders doen. Ik zou voorzitter van de PvdA kunnen proberen te worden, maar mijn vrouw is daar geschikter voor – helaas, zij wil niet. De premier van het nieuwe kabinet dan maar? Ik ben al gepolst en ik zeg ook niet op voorhand nee, maar ik doe het alleen als Sybrand Buma buiten de regering blijft.

Ik heb, en nu in ernst, een andere beslissing genomen. Ik schrijf deze rubriek al bijna twintig jaar, vijfmaal per week, en met veel plezier, maar het lijkt me nu toch tijd het iets rustiger aan te doen. Vanaf volgende week schakel ik daarom terug naar een lagere frequentie: driemaal per week, op maandag, woensdag en vrijdag. Daarmee hoop ik door te gaan totdat God of mijn hoofdredacteur (wat niet altijd hetzelfde is) anders besluiten.

Hoezeer de vakantie de kijk op het werk kan beïnvloeden, bleek mij ook uit de zin die iemand onlangs op een muurtje bij een brug over de Schinkel in Amsterdam had gekladderd: Het went niet om om half acht op te staan. Half acht? Zo vroeg is dat nou ook weer niet, maar hier sprak vermoedelijk iemand die na zijn vakantie besefte dat hij niet erg van zijn werk hield en het liefst de rest van zijn leven in zijn nest zou blijven liggen.

Terwijl ik de tekst van deze intrigerende oneliner overschreef, ontspon zich achter mij op een caféterras een gesprek tussen twee jonge vrouwen. Ze noemden het een ‘recensiegesprek’. De oudste van de twee had een leidende functie op een of andere opleiding, de jongste was daar cursist en moest over haar ervaringen als leerling en haar toekomstverwachting vertellen.

Beviel de opleiding of had ze er meer van verwacht? Had ze een verklaring voor enkele tegenvallende cijfers? Hoe zag ze haar kansen na de school? Welke banen hadden haar voorkeur en had ze de indruk dat deze voldoende aansloten bij de opleiding? Ze werd stevig aan de tand gevoeld, ik hoorde haar zwoegen op haar antwoorden. Ik had haar het liefst toegeroepen: „Wees op je hoede! Van dit gesprek kan veel afhangen! Zeg niet te veel, maar ook niet te weinig!” En dat alles voor werk, dacht ik, liefst zo leuk mogelijk werk.

Maar werk is lang niet altijd leuk. Zie ‘Caissière’, een mooi nieuw gedicht van de Rotterdamse dichter Rien Vroegindeweij.

Haar ruimte is beperkt want zo gepland

dat zij vanaf haar middel zichtbaar is

en zij haar handen vrij heeft voor elke klant

aan wie zij onverschillig dienstbaar is.

Zij schuift en scant en slaat de kassa aan,

of u de bon erbij wil en nog een fijne dag.

Haar blik licht op voor een die haar baan

misschien naar de sterren leiden mag.

Maar onverbiddelijk loopt de band.

De rij schuift op, zij scant en scant

en maakt muziek met slechts één toon.

Haar hoofddoek wijst op een geloof

dat leert dat haar God de wereld schiep,

hemel en aarde, de scanner en de blieb.