Eerder stoppen met werken: het kan als je het écht wilt

In de zomervakantie slaat de werkende mens snel aan het dromen over eerder stoppen met werken. Maar kan dat nog, met een pensioenleeftijd die almaar verder omhoog gaat?

Illustraties Kamagurka

Misschien is het wel even door uw hoofd geschoten tijdens de zomervakantie. Of juist daarna; stapvoets rijdend in de avondspits of staand in een overvolle intercity. Gaat dit nog twintig, dertig jaar zo verder, of is het mogelijk om eerder te stoppen?

Het radicaal opzeggen van baan en huis en naar het zuiden vertrekken, is een vakantiedroom die uiteindelijk maar door een kleine groep mensen ook echt wordt uitgevoerd. Maar die alsmaar achteruitschuivende pensioenleeftijd een paar jaar naar voren halen, kan dat?

Wie nog jong genoeg is (zeg: jonger dan vijftig) kan het voorbeeld van Gerhard Hormann (56) en zijn vrouw volgen: serieus bezuinigen en sparen. Niet meer op vakantie, auto ingeruild voor een tweedehands boodschappenautootje, nooit meer uit eten. Over ruim twee jaar hebben ze ook geen woonlasten meer: ze hebben hun hypotheek versneld afgelost, met 20.000 euro per jaar, en hun huis is nu bijna hypotheekvrij.

Zodra Hormann zich realiseerde dat hij zo’n twee werkweken per maand in de auto zat – in de file tussen zijn huis in Rotterdam en zijn kantoor in Amsterdam – en dat hij het merendeel van zijn tijd „verkocht voor geld”, was er geen weg meer terug. Toen hij op zijn 52ste zijn baan verloor (het tijdschrift waar hij werkte hield op te bestaan) en kort erna een nieuwe baan kreeg aangeboden, besloot hij die te weigeren. In plaats daarvan ging hij „zo weinig mogelijk” werken. Hormann schrijft nog een wekelijkse column en boeken over zijn levensstijl. Verder maait hij het gras, gaat elke vrijdag naar de bioscoop (hij heeft een abonnement waarmee hij onbeperkt films kan kijken), fietst en leest. Zijn vrouw werkt nog wel, parttime in het onderwijs. Samen verdienen ze nu 2.500 euro per maand, 1.500 euro minder dan voorheen. Het grootste deel daarvan wordt opzijgezet. Vanaf zijn zestigste is Hormann van plan om helemaal niets meer te doen. „Niet toevallig de ideale pensioenleeftijd volgens de meeste werknemers.”

Liever niet inleveren

Volgens onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) willen we inderdaad graag op ons 61ste stoppen met werken. Maar we gaan ervanuit dat het pas na ons 66ste ook daadwerkelijk kan. En dat is nog optimistisch: de dertigers van nu kunnen hun zeventigste verjaardag op hun werk vieren.

We wíllen wel eerder stoppen, maar we willen liever niet inleveren op onze levensstandaard. De meeste mensen, zegt econoom en publicist over geldzaken Erica Verdegaal, blijven dus maar gewoon in de stroom meegaan. Ze doen wat bijna iedereen doet, en dat is: steeds harder en langer doorwerken. En dat móéten ze vaak ook. Verdegaal: „Nu worden de huizenprijzen weer opgedreven, en toch blijven we dure huizen kopen in de Randstad en onszelf vastzetten in hoge hypotheken.” Veertigers van nu, zegt ze, hebben een hoge hypotheek, hoge maandlasten, ze gaan op dure vakanties en rijden in dure auto’s. „En dus moeten ze doorpezen. Eerder je baan opzeggen om wat leuks te gaan doen, brengt voor de meeste mensen te veel onzekerheid met zich mee. We willen horen bij de groep die het wél goed redt.”

Een riant pensioen ontvangen op je 58ste behoort definitief tot het verleden, zegt Verdegaal. Een reëler beeld is wat ze laatst zag in New York: „Een tachtigjarig mannetje achter de kassa in een pizzeria, om z’n pensioen aan te vullen.” Zoals op zoveel vlakken, zegt ze, lopen we ook hier een jaar of tien achter bij de Verenigde Staten.

Eerder willen stoppen met werken is geen nieuw fenomeen; toen dat nog eenvoudig kon, deden veel mensen dat ook. Ter illustratie: in 1993 werkte dankzij de VUT en het vroegpensioen nog maar een kwart van de 1,4 miljoen mensen tussen 55 en 64 jaar.

De paradox van deze tijd is dat mensen steeds langer doorwerken, terwijl het verlangen om eerder te stoppen alleen maar zal toenemen. Dat zegt hoogleraar economie Harry van Dalen van het NIDI, een instituut dat onderzoek doet naar bevolkingsvraagstukken. Want de pensioenleeftijd stijgt hard; eerst gaat die stapsgewijs naar 67 jaar en vanaf 2022 in gelijke pas met het stijgen van de levensverwachting. Volgens een berekening die Van Dalen met onder meer hoogleraar pensioensociologie Kène Henkens maakte, kunnen generaties die halverwege deze eeuw worden geboren pas vanaf hun tachtigste met pensioen.

Er heeft een revolutie plaatsgevonden, zegt Henkens, en de overheid is daarin „een beetje doorgeslagen”. Elk jaar dat we ouder worden, wordt straks één op één omgezet in werkende jaren. En hoewel langer werken hoort bij langer leven, wordt volgens Henkens op deze manier de pensioenleeftijd van de jonge mensen van nu relatief veel korter. De langere levenstijd wordt volledig besteed aan langer werken. „Dat is onhoudbaar. Het kan niet de bedoeling zijn dat de pensioentijd voor velen een steeds ongezondere tijd wordt.”

Gerhard Hormann denkt nu bij alles wat hij doet aan zijn „dertien jaar oudere virtuele zelf”. Bijvoorbeeld als hij op een dag 120 kilometer heeft gefietst op zijn racefiets. „Dan vraag ik me af of ik dat ook zou kunnen als ik zeventig ben. Twijfelachtig. Hooguit met een elektrische fiets.” Hij voelt zich weleens schuldig, zegt hij, als mensen om hem heen overspannen raken doordat ze veel te hard werken. „Het voelt soms net alsof ik met een clownsneus over de intensive care van een ziekenhuis loop. Maar aan de andere kant: ik ben wel op tijd begonnen met sparen en aflossen.”

Stockholmsyndroom

Wie dat niet heeft gedaan, of het door een gebrek aan financiële middelen niet kan doen, heeft het gevoel geen regie te hebben over zijn pensioenleeftijd, zegt hoogleraar Kène Henkens. Een vroegpensioen bestaat niet meer. Maar dat wil niet zeggen dat er helemaal niets mogelijk is voor mensen die niet honderdduizenden euro’s gespaard hebben – hetzij op de bank, hetzij in een afgeloste hypotheek. Met een deeltijdpensioen kan er vanaf tien of vijf jaar voor de pensioenleeftijd in ieder geval mínder gewerkt worden. Uit het SCP-onderzoek blijkt dat 45 procent van de werkenden vanaf 20 jaar dat zou willen. Liever zelfs dan helemaal stoppen. Veel pensioenfondsen bieden die mogelijkheid ook. Toch wordt er nog nauwelijks gebruik van gemaakt. Waarschijnlijk omdat mensen nog niet weten dat het kan, of omdat werkgevers er niet aan willen meewerken. Henkens: „De veranderingen zijn zo snel gegaan, dat werknemers en werkgevers zich nog moeten aanpassen. Het is ook voor bedrijven een enorme taak; hoe houd je mensen tot aan de eindstreep vitaal?”

Werkende mensen, zegt Hormann, hebben een „mild Stockholmsyndroom”. „Ze denken dat hun werk zin geeft aan hun leven. Werken moet, want je hebt nu eenmaal geld nodig, dus moet het ook een soort toegevoegde waarde hebben. Je kunt niet denken dat je je vrije tijd verkoopt, want dan houd je het niet vol. Maar als je eenmaal afstand hebt genomen, is het net alsof je gaat scheiden van een vrouw van wie je denkt: wat heb ik ooit in haar gezien?”

Voor wie verlangt naar meer vrijheid, wil hij maar zeggen, loont het om te zoeken naar een oplossing. „Een vroege VUT wordt, zeker als je dat op de een of andere manier zelf weet te financieren, hét statussymbool van de nabije toekomst.”

Zijn 25-jarige zoon, die na zijn afstuderen in een magazijn is gaan werken en momenteel weer thuis woont, adviseert hij om zijn hele salaris te sparen. „Dan kan hij op zijn dertigste een hypotheekvrij huis kopen en een hypotheek nemen op een ander huis, dat hij verhuurt voor 800 à 1.000 euro per maand. Dat is zijn aanvullend pensioen. Maar ik denk dat hij nog te jong is om te beseffen dat dit het beste financiële advies is dat hij in heel zijn leven zal krijgen.”