Opinie

Bij selfiemakers is zelfhaat nooit ver weg

Sociale media maken dat eigenliefde groteske vormen aanneemt. Zijn we wel opgewassen tegen nieuwe technische mogelijkheden? Een essay van Marja Pruis.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Soms denk ik dat ik van ver kom. Inmiddels ben ik oud genoeg om te weten dat ik hier niet alleen in sta. Iedereen kan het gevoel hebben van ver te komen. Achter mij ontrolt zich een zwart-witfilm, zonder geluid, voor mij is een bonte kermis gaande waar bezoekers verplicht een 3D-bril dragen. Het geluid staat te hard, de gezichten komen te dichtbij. Een polonaise, waarbij je moet inhaken op straffe van onzichtbaarheid.

Het heeft ermee te maken dat iedereen een vertegenwoordiger van zichzelf lijkt te zijn geworden, iedereen moet zich laten zien, en wat iedereen laat zien, moet dan weer het beste zijn dat hij of zij mogelijkerwijs kan laten zien. De druk om constant bereikbaar te zijn, jezelf in heel je glorie te openbaren, je kunsten en goede daden op eigen houtje te etaleren …

Ik weet dat sociale media ook zegenrijk effect sorteren, – Revolutie! Spontane dansfestijnen! – maar zijn ze niet ook de gesel van deze tijd? Is de menselijke natuur opgewassen tegen de nieuwe technische mogelijkheden? Is de mens zichzelf niet groter gaan wanen dan hij is, met alle gevolgen van dien, op individueel - en internationaal niveau?

Bijna vier eeuwen geleden keerde François de La Rochefoucauld de eigenliefde, l’amour propre, als leidend principe van de menselijke natuur binnenstebuiten. Hoeveel ontdekkingen je ook doet in het land van de eigenliefde, er blijven genoeg onontdekte gebieden over, luidt een van zijn beroemde maximen. Is het waar? Is de mens meer van zichzelf gaan houden? En mocht dat zo zijn, is dat dan niet vooral goed nieuws? Was er niet het aloude idee dat je van jezelf moet houden om ook goed voor je omgeving te kunnen zorgen? Of wordt het de mens zoveel gemakkelijker gemaakt een glorieuze versie van zichzelf te presenteren dat hij er zelf ook in gaat geloven?

Nieuw Licht: Marja Pruis over La Rochefoucauld

Wie denkt dat hij van zijn minnares houdt omwille van haarzelf, vergist zich deerlijk

Niet alleen zien we onszelf het liefst weerspiegeld in verliefde ogen, bij Rochefoucauld is er ook altijd het aspect van ‘niets voor niets’. Wat ik jou geef, komt met gelijke munt terug. Sterker nog: ik geef jou iets om het dubbel en dwars terug te kunnen ontvangen. Rochefoucaulds opvatting van eigenliefde nadert het moderne zelfbehoud, noodzakelijk om te kunnen overleven.

Freud plaatste liefde en haat in elkaars verlengde en Lacan ging in die lijn verder. „Het is een grote ironie”, schreef Lacan, „dat Christus zei ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ aangezien de meeste mensen zichzelf eigenlijk haten.”

Inderdaad, mensen hebben hun naaste lief als zijzelf: met wreedheid, met veronachtzaming. Wat we liefhebben, haten we. Als iemand ons bevredigt, frustreert hij ons ook. Als iemand ons frustreert, denken we dat hij ons kan bevredigen. We kritiseren als we gefrustreerd zijn en prijzen als we bevredigd zijn.

Ambivalentie betekent niet dat gevoelens gemengd zijn, maar dat ze tegenovergesteld zijn. Iemand kan je bovenmatig interesseren, maar ook volkomen koud laten. Dat is de ingewikkelde waarheid waarmee we moeten leven. Temeer daar we op een steeds directere manier met elkaars existentie worden geconfronteerd, als een soort intieme vreemden.

De kunst om middelmatige kwaliteiten goed te laten uitkomen dwingt bewondering af en verschaft vaak meer aanzien dan werkelijke verdienste. Aan talloze schijnbaar belachelijke gedragingen liggen verborgen motieven ten grondslag die heel verstandig en weloverwogen zijn.

Wat zegt het Orakel hier? Ik lees er dit in: dat de mens er vooral goed in is een façade op te trekken en dat het nog maar de vraag is of er meer is dan dat. Het werkelijke valt voor niemand te zien en is een even imaginaire grootheid als het verstandige, en het weloverwogene. Een besef van grootsheid en verachtelijkheid gaan hand in hand en komen uit dezelfde bron van eigenliefde.

Historicus Simon Schama schetst in The Face of Britain de geschiedenis van Groot-Brittannië aan de hand van portretten door de eeuwen heen. Voor deze studie, die in feite neerkomt op de vraag hoe machthebbers zichzelf in de loop der tijd hebben laten afbeelden, heeft hij zich laten inspireren door de Franse filosoof Emmanuel Levinas, de man van het Ik en de Ander. „Het gelaat van de ander is niet zijn gezicht”, schreef Levinas.

Schama heeft het over het verschil tussen spiegelmensen – mensen die alleen willen kijken naar perfecties van zichzelf – en mensen die op zoek zijn naar de blik van anderen, om te weten hoe ze er echt uit zien.

Een duidelijk verschil dacht ook ik in eerste instantie tot ik, na de gedachte drie keer te hebben overgeschreven, besefte dat het een moreel onderscheid is, alleen opportuun in the eye of the beholder. Een spiegelmens is ijdel, hem veroordeel je; iemand die de blik van een ander zoekt, prijs je. Maar beiden zijn op zoek naar het effect van hun uiterlijk.

Kijken we naar twee beroemde selfies van machthebbers. De een, Barack Obama, laat zich fotograferen tijdens een groepsselfie gedurende de begrafenis van Nelson Mandela, samen met zijn Britse ambtsgenoot. De actie is geïnitieerd door de Deense premier. De ander, Donald Trump, poseert voor een goudkleurige deur van de Trump Tower, samen met Brexit-voorman Nigel Farage. Ze lachen beiden breed en steken de duim omhoog.

Hoewel de selfie met Obama ongepast werd gevonden, want oneerbiedig op een begrafenis, kun je zeggen dat die een wonder van ingetogenheid is vergeleken met het haaierige blingbling-beeld dat Farage neerzet van Trump en hemzelf. Aan de andere kant laat Obama zich niet evengoed voorstaan op zijn goede smaak, evenals Trump hengelend naar zowel publieke bijval als zichzelf feliciterend met wie hij is en waar hij is?

Met onze verdienste verwerven we de waardering van achtenswaardige mensen, met onze voorspoed die van het volk.

Obama ‘ging’ voor de waardering van achtenswaardige mensen; Trump ‘gaat’ voor die van het volk.

Jezelf op het podium hijsen is een vorm van zelfverwerkelijking die gepaard gaat met een toenemend gevoel van vervreemding. Hoe harder we schreeuwen, hoe groter de schaamte. Hoe langer we denken te kunnen leven, hoe beter we beseffen dat we dood gaan.

Kijken we nog eens naar twee mensen die zichzelf in de kijker speelden, twee selfiekunstenaars zou je kunnen zeggen, eentje uit de tijd van Rochefoucauld en eentje van nu. De Vlaamse kunstenares Clara Peeters, actief in de eerste decennia van de zeventiende eeuw, raakte er uitermate bedreven in om zichzelf wel en niet te laten zien op haar stillevens. Je moet heel goed kijken om te zien dat in een tinnen kan, te midden van een tableau met servies, bloemen en fruit, de beeltenis wordt weerspiegeld van een vrouw met een grote kraag en een kapje op het hoofd, kwast in de hand. Ze schilderde stillevens, ogenschijnlijk volgens de regels van de heersende mode, maar maakte op deze verholen manier zelfportretten in miniatuurvorm. Het was haar manier om gezien te worden, in een tijd dat alleen mannen leken te schilderen.

Tegen de tijd dat ze dacht afscheid te moeten nemen van haar vruchtbaarheid, begon schrijfster Heleen van Royen naaktselfies te maken en foto’s van haar vagina en bebloede tampons. De selfies werden tentoongesteld in het Letterkundig Museum, kwamen in een boek terecht en de originele afdrukken werden na afloop van de expositie met veel bombarie geveild. Iemand die zichzelf meer in de etalage zet dan Heleen van Royen lijkt ondenkbaar – ook niet in een tijdperk waarin het normaler is de camera op jezelf te richten dan op je omgeving.

Toch, kunnen we hieruit iets concluderen over het belang dat mensen aan zichzelf hechten of over de eigenliefde die ze hiermee tentoon zouden spreiden? Eerder lijkt het omgekeerde me het geval; als eigenliefde zo’n groot podium vindt, kan zelfhaat nooit ver weg zijn.

Nieuw Licht: Marja Pruis over teveel eigenliefde