Column

Alsof er een hand tevoorschijn komt

Michel Krielaars

Ineens waren al mijn twijfels verdwenen en besefte ik dat literatuurwetenschap inderdaad weinig om het lijf heeft. Het drong tot me door toen ik onlangs op de BBC naar de filmversie keek van The History Boys, een briljant toneelstuk van Alan Bennett uit 2004. Het speelt zich af in de jaren tachtig op een jongensgymnasium in de Noord-Engelse industriestad Leeds. Acht leerlingen, jongens uit eenvoudige milieus, zijn met hoge cijfers voor hun eindexamen geslaagd en maken kans op een studiebeurs voor Oxford. Als ze worden toegelaten, mogen ze er geschiedenis studeren. Voor de ambitieuze rector is het een kwestie van snobisme om hen dat elitaire bastion binnen te loodsen. Daarom huurt hij een jonge leraar in, die de acht in een extra semester moet voorbereiden op dat toelatingsexamen.

Die nieuwe leraar zet de klassieke manier van lesgeven van de school op zijn kop. Het gaat niet om de feiten, zegt hij, maar om de manier waarop je die presenteert: ‘Geschiedenis is vandaag de dag geen kwestie van overtuiging. Het is een toneelstuk. Het is vermaak. En als het dat niet is, maak je dat ervan.’

Alan Bennett – dat hij nog maar lang moge schrijven – hekelt in zijn toneelstuk de door Margaret Thatcher ingevoerde marktwerking in het onderwijs. Maar nog meer heeft hij het over de schijnheilige opvattingen over (homo)seksualiteit en over het jezelf durven zijn, hoe oud je ook bent. Mens durf jezelf te zijn, lijkt hij voortdurend te willen zeggen.

Maar terug naar de literatuurwetenschap. In een onvergetelijke scène van The History Boys behandelt Hector, de excentrieke, homoseksuele leraar culturele vorming, samen met zijn getalenteerde leerling Posner een gedicht van Thomas Hardy. Posner, die in stilte verliefd is op zijn genadeloze klasgenoot Dakin, voelt dat gedicht als geen ander aan en herkent zichzelf in de ongelukkige Hardy. En dan spreekt Hector de onvergetelijke woorden: ‘Tijdens het lezen beleef je je beste momenten als je iets tegenkomt – een gedachte, een gevoel, een manier van naar de dingen kijken – waarvan je altijd had gemeend dat het alleen en in het bijzonder voor jou gold. En nu is het ineens hier, opgeschreven door iemand anders, iemand die je nog nooit hebt ontmoet, iemand die zelfs allang dood is. En het is alsof er een hand te voorschijn komt die de jouwe vastpakt.’

Zo’n treffende omschrijving van wat literatuur kan zijn, slaat de onlangs in de Volkskrant weer opgelaaide discussie over literatuurwetenschap (centrale vraagstelling: had Karel van het Reve gelijk toen hij dat vak overbodig verklaarde?) voorgoed dood. Literatuur raakt je of raakt je niet. Ook kun je na verloop van tijd heel anders over een boek denken dan eerst. Zo had ik (net als Karel van het Reve) jarenlang een hekel aan Dostojevski. Tot ik in 2012 De broers Karamazov in de vertaling van Arthur Langeveld las en hij me voor het eerst ontroerde. Alsof ik zijn personages door mijn belevenissen in Rusland ineens wel kon waarderen nu ik ze dagelijks om me heen had gezien. Om die sensatie opnieuw te beleven, ben ik begonnen in de nieuwe vertaling van Dostojevski’s vroege verhalen. Opnieuw in afwachting van die uitgestrekte hand.