Recensie

Thibaudet laat jazz-hart spreken in Gershwins Pianoconcert

Het Gustav Mahler Jugendorchester speelde onder Metzmacher met een gretig jonge-honden-elan. Dat leverde mooie momenten op, maar ging ook ten koste van de verfijning.

Foto Cosimo Filippini

Het is zomer. En dus trekt het Gustav Mahler Jugendorchester (GMJO), kweekvijver voor internationaal toptalent, traditiegetrouw met prominente musici langs de Europese concertpodia. Dit jaar wist de club dirigent Ingo Metzmacher en pianist Jean-Yves Thibaudet te strikken voor een vroeg-twintigste-eeuws spektakelprogramma.

Daarop stond onder meer Gershwins Pianoconcert in F, muziek die het beste van twee werelden verenigt. Enerzijds smeult in Gershwins noten de roes van jazz en hebben zijn melodieën de onweerstaanbare charme van een goede Tin Pan Alley-deun. Anderzijds verraden zijn harmonische en orkestrale raffinement een gedegen kennis van de Europese romantiek (al ging de golden boy van Broadway er prat op autodidact te zijn).

Ritmische ratrace

Het GMJO zette vooral die eerste pijler in de verf. Neem het Allegro, waarin het orkest een kwiek-cartooneske opening mooi liet contrasteren met een gloedvolle vertolking van de lyrische passages. Ook knap: het accurate samenspel in de ritmische ratrace van het derde deel, al verliep de coördinatie hier vreemd genoeg stroever in de meer ontspannen melodische secties.

Thibaudet, jaren geleden de man achter Ellington- en Evans-cd’s, liet intussen zijn jazz-hart spreken in elastische fraseringen, snaakse speldenprikjes uit de losse pols en katachtig-percussieve uithalen in het slotdeel.

En toch: alle enen opgeteld liet Metzmacher de grove toets te zeer overheersen. Luid koper en potige tutti-passages gingen ten koste van het raffinement.

Kokette klarinetten

Het gretige jonge honden-elan van het GMJO kwam beter tot zijn recht in Bartóks rauwe balletmuziek De wonderbaarlijke Mandarijn. Metzmacher en de zijnen lieten het uitgebuite raamdanseresje verleidelijk heupwiegen op kokette klarinetlijnen, joegen haar mysterieuze Chinese bewonderaar over de kling in een verpletterende slotclimax (erg dominant slagwerk) en voerden op boertige hoempa-figuren de oude geilaard ten tonele.

Na Bartóks muzikale fauvisme klonk in Ravels Tweede suite uit Daphnis et Chloé een verrassend subtiele zonsopgang: heldere details, verfijnde kleurnevels in strijkers en hout. Dat alles opgehangen aan loom welvende melodielijnen.