Cultuur

Interview

Interview

Foto Merlijn Doomernik

Ronald van der Kemp: ‘Kanye West belde of ik zijn vrouw wilde kleden’

Ronald van der Kemp maakt furore met designermode van overgebleven stof. „Ik laat zien dat het ook anders kan.”

In het atelier van Ronald van der Kemp aan de Herengracht in Amsterdam staat een kartonnen doos met stukjes denim. Het zijn resten van de tweedehands broeken waaruit Van der Kemp nieuwe ontwerpen heeft gemaakt. Bij elk ander modehuis zouden zulke overblijfselen worden weggegooid. Niet bij RVDK, zoals Van der Kemps tweeënhalf jaar oude merk heet. Alle resten stof, hoe klein ook, worden bewaard; ze komen nog een keer van pas, bijvoorbeeld in een patchwork of als voering.

Van der Kemp gebruikt zelfs bijna altijd bestaand materiaal. Restjes leer die hij in de loop van zijn 25-jarige internationale carrière bij merken als Céline en Escada uit de prullenbak viste, stoffen uit de nalatenschap van de Nederlandse couturier Frans Molenaar, rommelmarktvondsten, dertig jaar oude zijdes die hij vond in de kelders van stoffenwinkels in Parijs en Florence. En bijna alles wordt gemaakt in Nederland. Kortom, een bijna volmaakt verantwoorde werkwijze. Maar noem wat Van der Kemp maakt vooral geen duurzame mode. „Dat begrip heeft een beetje een bijsmaak”, zegt hij. „Voor mijn gevoel is dat geen mode.”

Want mode maakt Van der Kemp, met een grote M: chic, sexy, vrolijk, elegant, vol referenties aan de glamour uit de jaren zeventig en tachtig, maar op de juiste momenten bijna grungy. Verfijnde patchwork-leren jasjes met opstaande schouders, een knalroze met zwarte rok met een asymmetrisch geplaatste sleep, elegante pakken, een asymmetrische kimono van verschillende kleuren denim met grote, handgemaakte siersteken. Het woord ‘Paris’ in een net afwijkende kleur is niet op de pijp van een spijkerbroek gestikt, maar erin gezet; een techniek – intarsia – die alleen specialisten beheersen. Demi-couture is het woord dat hij zelf gebruikt om zijn collecties te duiden.

Zo’n beetje elk bekend internationaal modeblad heeft zijn ontwerpen laten zien, die nu worden verkocht bij onder meer de luxe site Net-a-porter en de Amsterdamse Bijenkorf. De lijst van sterren die zijn kleding hebben gedragen groeit snel: Alicia Keys, Gwen Stefani, Lady Gaga, Juliette Binoche, Jada Pinkett Smith, supermodellen Kendall Jenner, Doutzen Kroes en Adriana Lima. Actrice Sarah Paulson bestelde een opvallende zwart-met-geel fluwelen jurk om een Oscar in uit te reiken. Dat uitreiken ging niet door, maar ze trok de jurk wel aan naar de beroemde afterparty van Vanity Fair. „Daar heb ik zo veel reacties op gehad.” Mary J. Blige kwam voor haar concert in Amsterdam bij hem langs voor een zwart leren jasje. Omdat ze er hotpants bij wilde dragen, knipte hij ter plekke de pijpen van een leren broek voor haar af (nee, er werd niet voor de kleding betaald). Vorig jaar werd hij gebeld door Kanye West: „I want you to dress my wife” – Kim Kardashian West, de vrouw wier stijl alles vertegenwoordigt waar hij een hekel aan heeft: „Fake, helemaal ge-airbrusht. Dus ik dacht: waarom bel je mij, of all people? Hij zei dat ik de toekomst van mode ben en dat hij naar Amsterdam wilde komen. Ik zei: ‘U weet dat ik een heel andere visie heb op vrouwen dan u.’ Ik heb zijn mobiele nummer, maar ik heb nooit meer gebeld. Zoiets moet niet van mij komen. Het is al heel leuk dat het hem is opgevallen wat ik doe – ik was best starstruck.”

Kanye zei dat ik de toekomst van mode ben – ik was best starstruck

Hij is nu „aan het vechten” met Katy Perry, die „kleren twee maanden bij zich houdt. Toen we de laatste collectie verkochten, hingen er nog twee jurken bij haar. Nu wil ze dingen voor haar tournee. Ik heb gezegd: ‘Oké, maar de kostprijs moet worden betaald en we moeten zeker weten dat ze het gaat dragen’. Zulke mensen krijgen hotelkamers vol kleren opgestuurd.”

Het is half juli en Van der Kemp – jeans, T-shirt, afgetraind, een beetje gebruind, licht Nijmeegs accent – heeft net, zegt hij, de beste week van zijn leven achter de rug. „Het is alsof een droom is uitgekomen.”

Zondag 2 juli gaf hij tijdens de haute-coutureweek in Parijs voor het eerst een modeshow onder zijn eigen naam. De Fédération de la Haute Couture et de la Mode had begin van het jaar aan zijn Parijse pr-bureau gevraagd of Van der Kemp er wilde showen. Het stipendium van het Prins Bernhard Cultuurfonds dat hij net had gekregen – 50.000 euro – maakte het mogelijk op het aanbod in te gaan.

Het werd een intieme show voor honderd gasten, waarin outfits die een eerbetoon waren aan grote couturiers als Yves Saint Laurent en Emanuel Ungaro werden afgewisseld met jeans, een rode satijnen broek met patchwork en een lange patchwork jas van geruite katoen. De schoenen met plateauzolen en dikke, rechte hakken had hij ontwikkeld met schoenenmerk United Nude en schoenontwerper Jan Jansen.

Vlnr: uit de collectie. ‘Wardrobe 5’ (2017), ‘Wardrobe 6’ (2017), ‘Wardrobe 4’ (2016) en ‘Wardrobe 6’ (2017)

Drie uur later werd hij in een recensie van Voguerunway.com geprezen om zijn „speelse, levendige houding”. „Zelfs zijn meest klassieke voorstellen – een smoking met fuchsia biezen of een blouse met volants op een broek met wijde pijpen – waren luxueus en energiek”, schreef het Amerikaanse modedagblad WWD.

Van der Kemp: „Dat was fijn, natuurlijk. Maar eigenlijk had ik geen twijfel. Ik vond het zelf erg goed, daar kan ik niks aan doen. Ik was ook helemaal niet zenuwachtig van tevoren, alleen maar opgewonden.” De rest van de week was gevuld met interviews en feesten. „Op het feest van Chanel kwamen allemaal mensen op me af: fantastic show. Voorheen, toen ik nog presentaties deed, hoorde ik natuurlijk ook wel eens wat. Maar een echte show heeft veel meer impact.”

De show viel precies op de negentigste verjaardag van zijn moeder; normaal bezoekt hij haar elk weekend in Nijmegen. „Het was jammer dat ik niet kon komen, maar ze wilde toch geen groot feest.”

Is ze erg trots?

„Mijn vader verzamelde alles over mij, maar hij is zes jaar geleden overleden. Haar wereld is erg klein geworden, voor haar is het moeilijk te bevatten wat ik doe. De show stond niet in De Telegraaf, dus dan denkt zij: wat stelt het dan voor? Niet één Nederlandse krant had erover geschreven. Dus nou ja, ik ben wel weer geland.”

Neem ook een kijkje in de kast van Ronald van der Kemp: ‘Als de troep in een kast zit, vind ik het niet erg’

Als hem als kind werd gevraagd wat hij later wilde worden zei hij „beroemd”, al had hij geen idee waarmee. Zijn vader had een kleine grossierderij in vleeswaren en conserven in Wijchen, zijn moeder was huisvrouw. Als jongetje was hij „heel expressief, tot ik doorkreeg dat dat niet de bedoeling was en ik in mijn schulp kroop.” Dat ging pas voorbij toen hij op de middelbare school koos voor ‘expressie’ in plaats van handenarbeid of tekenen. Een optreden als Nina Hagen tijdens een schoolavond gaf hem zelfvertrouwen om zich aan te melden op de vooropleiding ballet. „Dat wilde ik al heel lang.” Maar op de dansopleiding in Amsterdam „werd snel duidelijk dat het ’m het niet ging worden”. „Ik heb scoliose en ik kreeg te veel last van mijn rug.” Een meisje in zijn studentenhuis zat op de modeacademie Vogue. „Ik maakte al dingen voor mezelf, ik breide ook, dus ik dacht: misschien moet ik dat maar gaan doen.” Uiteindelijk studeerde hij af aan de modeafdeling van de Gerrit Rietveld Academie en vertrok daarna naar New York, waar hij als ontwerper aan de slag ging bij modehuis Bill Blass en vervolgens het luxewarenhuis Barneys.

In 1998 werd hij gebeld door een Parijse headhunter: of hij de hoofdontwerper wilde worden van het Franse Guy Laroche. Het voorjaar daarop presenteerde hij zijn eerste, en enige, collectie voor het huis.

“Geld komt vanzelf wel.” Foto Merlijn Doomernik

Toen wist hij al dat de man die hem had aangenomen naar een ander modehuis zou gaan. Zijn opvolger was „als Donald Trump na Obama”. „Ik voelde meteen: ik word eruit gewerkt. Maar ik kon geen ontslag nemen, want ik had alles opgegeven om naar Parijs te gaan. Ze zaten de hele dag op me te letten, of ik iets verkeerds zou doen. Na mijn ontslag schreven kranten dat ik eruit was gegooid omdat de pers niet enthousiast was over de show, maar dat had er niks mee te maken. De Nederlandse Elle had me gevolgd rondom de show en toen het nummer uitkwam stond op de cover: ‘De val van een modekoning.’ Alsof ik iets verkeerds had gedaan. Daarom was afgelopen week zo belangrijk voor mij. Ik heb het idee dat eindelijk is rechtgezet wat me toen is overkomen.”

Want dat gebeurde niet met het merk Ronald van der Kemp Boutique, dat u begon nadat u weg was bij Guy Laroche?

„Eigenlijk was dat vooral bedoeld om te laten zien dat ik er nog was. Je kon aan de ontwerpen zien dat ik een klap had gekregen: het was te voorzichtig. Ik had de overtuiging niet die ik nu heb. Nu weet ik zeker dat dit is wat het moet zijn, voor mij, en voor de mode. Toen Michael Kors in 2001 belde of ik bij Céline wilde komen, ben ik gestopt met mijn eigen label. Michael had nog een jaar een contract als creative director bij Céline, maar kreeg het te druk met zijn eigen merk, dus hij had iemand nodig die het voor hem deed.”

Na Céline kwam een aanbod van Wolfgang Ley, de helft van het echtpaar achter het Duitse Escada. De opdracht was als consultant het conservatieve maar opzichtige merk wat meer taste te geven. Maar al snel verkocht Ley het merk aan een investeringsmaatschappij. Van der Kemp: „Dat pompte het merk zo snel mogelijk op om het daarna door te verkopen. Er werden drie parfums tegelijk gelanceerd, outlets geopend, alle winkels volgestopt, overal geadverteerd. Zo lijkt het alsof het heel goed gaat – tot alles weer terugkomt natuurlijk. In de showroom hingen zo’n 1.200 kledingstukken. En dan waren er nog al die stoffen waar niks mee was gedaan. Ontwerpers bestellen voor de zekerheid een stof in vier kleuren en vijf prints en dan kiezen ze later wel. Al dat materiaal, die arbeid – het wordt allemaal goedkoop gedumpt of zelfs vernietigd, want die kleding wordt nooit allemaal verkocht. Dat was een eye-opener. Zo gaat het natuurlijk niet alleen bij Escada. De meeste merken verdienen hun geld helemaal niet met kleding, maar met accessoires en cosmetica.”

Bij de andere merken waar u werkte was het nooit opgevallen?

„Natuurlijk speelde het daar ook, maar bij Escada was het zo in het kwadraat dat ik er niet omheen kon.”

Toch werkte u daarna nog zeven jaar voor pantymerk Wolford, ook geen klein bedrijf.

„Ik verdiende goed, had een heel prettig leven. Als ik morgen naar New York wilde, deed ik dat. Dat is wel een beetje waarom ik zo lang ben doorgegaan. Nu merk ik dat ik goed kan zonder uit eten gaan en dure kleren. Het gaat alleen nog maar om werken, maar ik heb het tien keer leuker. En als het zo doorgaat, komt dat geld vanzelf wel weer.”

In januari 2015, een klein jaar nadat hij was gestopt bij Wolford, gaf Van der Kemp de eerste presentatie van RVDK, in het Parijse appartement van Inez van Lamsweerde en Vinoodh Matadin; hij is goed bevriend met het fotografenduo. Al meteen werden er kleren geleend door diverse Vogues. Toch was het zijn tweede collectie die hem op de kaart zette. Vooral dankzij Marc Jacobs, in wiens voorjaarscollectie voor 2016 opvallend veel elementen terugkwamen die twee maanden daarvoor in Van der Kemps presentatie te zien waren geweest: het gebruik van de Amerikaanse vlag, lange robe-manteaux, een specifiek leren jasje. Van toeval kon geen sprake zijn: „LOVE this look and the collection”, had Jacobs eerder op Instagram geschreven bij een foto van een jeans die was samengesteld uit een Amerikaanse vlag en een oude Levi’s 501. „Mensen vroegen of ik geen stappen wilde ondernemen tegen hem”, zegt Van der Kemp. „Maar ik vond het een compliment. Er wordt sindsdien veel serieuzer naar mij gekeken.”

Ergens tussen die eerste twee presentaties in sloot Mirjam Bax zich bij hem aan. Zij was meer dan twintig jaar de rechterhand van Frans Molenaar. Sinds begin dit jaar is er ook een derde, zakelijk partner, voormalig advocaat Johan Spijksma. Van der Kemp noemt hem Pierre Bergé, naar de zaken- en liefdespartner van Yves Saint Laurent.

Hij is ook uw vriend?

„O, nee, zo bedoel ik dat helemaal niet.”

Heeft u een relatie?

„Nee, nooit. Ik ben heel trouw in mijn vriendschappen, maar een relatie hoeft voor mij niet zo. Ik heb het weleens geprobeerd, maar ik kwam er snel achter dat het niets voor mij is. Ik krijg het snel benauwd, wil mijn gang kunnen gaan. En als ik kijk naar de relaties om mij heen, vraag ik me soms af of het wel zo verstandig is dat die mensen samen zijn.”

Met de mensen met wie u werkt is er toch ook een relatie?

„Ja, dat is best heftig. Dus je moet wel goed weten met wie je dat doet. Ik had al weleens gehoord wat Mirjam allemaal voor Frans deed en nadat hij was overleden, dacht ik: misschien moet ik eens met haar afspreken. De eerste ontmoeting was intens. We zouden even koffie gaan drinken. Ik geloof dat ze om 1 uur kwam en om 7 uur pas vertrok. Dankzij haar heb ik een tijd in het huis van Frans kunnen werken; zij deed de afhandeling van de nalatenschap. Zo hebben we aan elkaar kunnen wennen. Ze is echt mijn ringleader, ze regelt letterlijk alles. En ze geloofde vanaf het eerste moment in mij. In Parijs begonnen mensen meteen over het verkopen van de collectie, en daarvan raakte ik totaal in paniek. Zij zei: ‘Vergeet de verkoop, ga gewoon mooie kleren maken’. Sindsdien is het bijna vanzelf gegaan. Nou ja, vanzelf: ik heb nooit hoeven drammen om in een blad of een winkel te komen.”

“Mirjam regelt letterlijk alles.” Foto Merlijn Doomernik

Kunt u leven van uw merk?

„Ik ben al heel blij dat we mijn ontwerpassistent en alle freelancers kunnen betalen.”

Heeft u ooit overwogen om vanuit Parijs te werken?

„Ik vind het fijn om hier weer te zijn. Ik voel hier geen competitie. En toen ik in Parijs woonde, voelde ik me ook altijd een buitenstaander. Ik ergerde me ook aan al die feestdagen, het getut: vier kussen als je van vakantie terugkomt, precies om één uur aan de lunch. Zit je net in een meeting, staat iedereen tegelijk op. En ik vind het leuk om te gebruiken wat we hier in huis hebben: Made in Holland.”

Was het moeilijk om hier goede naai-ateliers te vinden?

„In het begin snapten de ateliers soms niet wat voor kwaliteit wij willen. Mirjam heeft sommige echt moeten opvoeden. Maar nu zijn we heel blij met ze. Dat we bijna alles hier laten produceren zorgt er wel voor dat de kleren duur zijn. En dan houden wij er zelf nog te weinig aan over.”

Is het op den duur nog wel vol te houden om alles van bestaand materiaal te maken?

„Het wordt steeds ingewikkelder om alles geproduceerd te krijgen. We hebben vorig jaar een broek gehad die was gemaakt van oude legerbroeken. Daarvan werden er best veel besteld en dan moet je de stinkende dumpzaken in en van alles dertig of vijftig stuks vinden. Als een stof op is, moeten we soms op zoek naar iets wat erop lijkt of een print laten namaken. Gekkenwerk, en toch is het prettig om het zo te doen. Doordat ik eerst materiaal verzamel en dan ga ontwerpen, kom ik op rare combinaties die ik anders nooit zou maken: roze nepslangenleer van Frans Molenaar met jacquard met lurex en zijden organza. Dat gebeurt alleen omdat het hier ligt.”

Speelt de manier waarop de kleding wordt gemaakt voor uw klanten een rol?

„Dat vraag ik me af. Ik krijg weleens een mailtje met dat het zo geweldig is wat ik doe, maar dat komt niet per se van iemand die de kleding ook koopt. Ik vind het gewoon leuk een voorbeeld te geven. Chanel heeft een haute-coutureshow met een decor dat 10 miljoen kost, met een Eiffeltoren, ik doe een low budget-show en werk met restanten. Is het beter wat ik doe, is het slechter? Dat is niet aan mij. Ik laat in elk geval zien dat het ook anders kan.”