Grote modenamen willen juist wol van deze Schotse schapen

Bekende modehuizen zoals Dries Van Noten en Lemaire gebruiken weer ouderwetse, ruwe Shetlandwol in hun collecties. „Je voelt het schaap er nog in.”

Foto Tom Barr

In de winkel van Jamieson & Smith, net buiten het centrum van Lerwick, de hoofdstad van de Schotse Shetlandeilanden, loopt een vrouw van een jaar of zestig op haar gemak langs de houten planken met breiwol. In de aangrenzende schuur maakt directeur Oliver Henry met een mok thee in zijn hand een praatje met een van de crofters, kleine boeren, van wie hij wol afneemt. De 69-jarige Henry, die gekleed is in een blauwe overall, zoekt de wol persoonlijk uit. Tegen de muur liggen de eerste op kleur en zachtheid geselecteerde balen van het jaar klaar om verscheept te worden naar de spinnerij in Engeland.

Jamieson & Smith, gevestigd in een voormalig kerkje en aangrenzend politiebureautje aan de oude haringhaven van Lerwick, is de grootste wolverwerker van de Shetlandeilanden; zo’n 260.000 kilo wordt er elk jaar in de schuur gesorteerd, afkomstig van zo’n 650 lokale crofters. Een gedeelte van de wol komt na bewerking in Engeland terug als breigaren.

Onder hardcore breiliefhebbers is Jamieson & Smith een fenomeen. Hun wol – altijd Shetlandwol – werd dit jaar voor de vierde keer achtereen uitgeroepen tot beste Britse breigaren. Vorig jaar bezochten zo’n 3.000 mensen, vooral uit Engeland en de VS, het jaarlijkse festival Shetland Wool Week dat in 2010 vanuit Jamieson & Smith werd opgezet.

Dankzij twee truien maakt een heel nieuw publiek kennis met Jamieson & Smith

De rest van de wereld zal de naam Jamieson & Smith weinig zeggen, maar dat zou dit najaar zomaar kunnen veranderen. Vorig jaar kreeg het bedrijf een telefoontje uit Antwerpen: een medewerker van Dries Van Noten informeerde of Jamieson & Smith wol kon leveren voor de mannencollectie voor najaar 2017. Van Noten wilde truien maken van de klassieke, ongekamde Shetlandwolvariant die in de jaren zeventig en tachtig zo populair was: licht, veerkrachtig, maar ruwer dan we de laatste jaren gewend zijn van truien (gekamde Shetlandwol is veel zachter, zelfs een beetje slap).

Dries Van Noten had een paar jaar geleden die wol al gebruikt in een mannencollectie, maar dit keer bestelde hij een paar honderd kilo. Een tikje problematisch voor Jamieson & Smith. Alle wol wordt in het voorjaar en de zomer ingebracht, als de schapen worden geschoren. Toen het modehuis in december de definitieve bestelling plaatste, was de wol al verkocht en verdeeld en moest de restvoorraad, die bewaard werd om in de winter en het voorjaar te sorteren, worden aangesproken. Vanwege tijdgebrek kon de bestelling alleen in gedeeltes worden geleverd en kwamen de laatste partijen later dan afgesproken was aan bij de Belgische breifabriek.

Het was de moeite meer dan waard voor Jamieson & Smith. Tot verrassing van de medewerkers was het logo van het wolbedrijf – niet het huidige maar het vorige, dat door Henry is ontworpen – groot aangebracht op twee van de truien in de show, waardoor een nieuw publiek kennismaakte met de naam. Jamieson & Smith was een van de zes textielproducenten die op die manier door Van Noten werden geëerd; de andere waren onder meer de Japanse tricotproducent Toki-Sen-i en het Britse Fox Brothers, al eeuwenlang maker van wollen stoffen.

Foto’s TEAM PETER STIGTER, DRIES VAN NOTEN
Truien en een vest van Shetlandwol van Jamieson & Smith in de najaarscollectie 2017 van Dries Van Noten

Wat Van Noten mooi vindt aan Shetlandwol is dat het een „oorspronkelijk” materiaal is, waarin je, zoals hij zegt „het schaap nog voelt”. „Het is na zo veel jaren van zachte garens even schrikken als je het voelt, maar het prikt niet. In de jaren zeventig werden de truien ook gedragen zonder iets eronder.” Jamieson & Smith sprak hem aan omdat het een „unfashionable bedrijf is, met een prachtige, ouderwetse kleurkaart”. „Normaal laten we wol zelf verven. Nu hebben we tien of twaalf kleuren van hen gebruikt.”

Dries Van Noten is niet het enige modehuis met een voorliefde voor Shetlandwol. De Franse merken Officine Générale en Lemaire hebben dit najaar eveneens truien van Shetlandwol , de laatste ook voor vrouwen, de Belgische mannenmodeontwerper Walter Van Beirendonck maakt sinds „een jaar of vijf, zes” weer geregeld kledingstukken van geweven en gebreide Shetlandwol. „Het heeft karakter”, zegt hij. In Alexander McQueens vrouwencollectie van afgelopen zomer zaten jurken van gebreid kant van de allerfijnste, gladste en dunste kwaliteit wol van Jamieson & Smith, de zogenaamde Superfine, waar vroeger op de eilanden kousen en omslagdoeken van werden gemaakt.

22.000 mensen; 160.000 schapen

De ongeveer honderd Shetlandeilanden vormen het noordelijkste puntje van Groot-Brittannië, en liggen op de grens van de Atlantische Oceaan en de Noordzee. Het landschap is ruig, heuvelachtig en vol rotsen. Het vriest er zelden, maar warm wordt het evenmin: op een juni-dag waarop het in Nederland zonnig en boven de 20 graden is, is het in Lerwick 10 graden en slaat de regen je hard in het gezicht.

Op de eilanden wonen zo’n 22.000 mensen en meer dan 160.000 schapen. Het grootste deel daarvan zijn Shetlandschapen, die leven van hei en zeewier. Ze zijn kleiner en dunner dan de schapen die op de eilanden voor hun vlees worden gefokt. Hun vacht is, zeggen de Shetlanders, veel beter. „De wol is het beste als de schapen een beetje honger hebben”, zegt Jamieson & Smith’s manager Derek Goudie. „Het voedsel moet in het lichaam gaan, niet in het haar. Van veel eten wordt de vacht te ruw.” Doordat de Shetlandschapen vaak moeten schuilen voor de regen, is hun al bepaald niet overvloedige dieet nog kariger.

De wol is het beste als de schapen een beetje honger hebben

Goudie neemt me mee op een tocht langs verschillende crofts, stukjes land. Omdat de schapen weinig contact hebben met mensen zijn ze schichtig. Elke keer als de auto opengaat, rennen de schapen hard weg. Goudie houdt zelf ook een paar honderd schapen. Het is een heel gedoe om ze te vangen als ze geschoren moeten worden, zegt hij. Halverwege onze tocht komen we een donkerbruin lam tegen dat op de weg ligt. Er komt bloed uit zijn bek. Aangedaan – „Ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand doorrijdt na een aanrijding” – tilt Goudie hem op en brengt hem naar de dichtstbijzijnde boer, die de eigenaar blijkt te zijn van het inmiddels bijna overleden dier. Als we onze weg vervolgen, komt een schaap de weg op, waarschijnlijk de moeder die hem zoekt.

Al sinds het jonge stenen tijdperk leven op de Shetlandeilanden schapen, schrijft de Schotse auteur en breipatronenontwerper Kate Davies in haar vorig jaar verschenen boek Shetland Oo (Shetlanders spreken wool uit als ‘oe’). De Shetlandschapen zoals wij die kennen zijn waarschijnlijk de schapen, of kruisingen met de schapen, die Scandinavische immigranten vanaf ongeveer de 9de eeuw meenamen. Omdat er op het eiland weinig verbouwd kon worden, werd wol snel een belangrijke bron van inkomsten. Tot de 16de eeuw werd de wol vooral geweven, in plaats van gebreid.

„Honderd jaar geleden waren vrouwen nog de hele dag aan het breien, zelfs als ze aan het lopen waren”, zegt Kharis Leggate, verantwoordelijk voor de groothandel van Jamieson & Smith. „Ze breiden om te overleven. Meestal kregen ze er geen geld voor, maar meel of vis.” Nederlandse haringvissers namen Shetlander kousen en kanten omslagdoeken mee naar huis.

Jamieson & Smith begon in de jaren dertig, toen winkelmedewerker John Smith een paar schapen aanschafte. Later begon hij crofts op te kopen van mensen die met pensioen gingen. De Jamieson uit de naam stamt uit een kortstondige samenwerking in de jaren vijftig. Oliver Henry werkt vijftig jaar bij het bedrijf. In 2004, toen de dochter van de oprichter op 75-jarige leeftijd met pensioen ging, werd hem aangeboden het over te nemen, maar hij kreeg het geld niet bij elkaar, en zo werd Jamieson & Smith gekocht door Curtis Wool Direct uit West Yorkshire in Engeland. Curtis Wool Direct is weer onderdeel van het Noorse Nortura.

Een charmant, stoffig winkeltje in Lerwick

De enige andere wolinkoper uit Shetland is Jamieson’s, geen afsplitsing maar een familiebedrijf dat eind negentiende eeuw werd opgericht en nog steeds zelfstandig is. Het wordt nu geleid door Peter Jamieson en zijn zoon. Jamieson’s heeft veertig werknemers, maar neemt veel minder Shetlandwol van crofters af dan Jamieson & Smith: 50.000 kilo per jaar. De fijnere kwaliteiten verwerkt het zelf in de eigen spinnerij op het eiland. Zo’n veertig procent van de gesponnen wol wordt verkocht als breigaren en veertig procent wordt verwerkt in eigen truien. Van de rest wordt in eigen weverij tweed gemaakt (ruwere Shetlandwol die afkomstig is van zowel Jamieson’s als Jamieson & Smith wordt onbewerkt doorverkocht als grondstof voor onder meer tapijten en dekens. Jamieson & Smith verkoopt zelf ook Shetlandtapijt).

De truien – effen en in de beroemde Fair Isle-motieven, genoemd naar het gelijknamige eiland dat ook onderdeel is van de Shetlandeilanden – zijn behalve in Jamieson’s eigen charmante, oubollige winkeltje in het centrum van Lerwick ook te vinden bij Britse, Chinese en Japanse modewinkels en warenhuizen. In Nederland liggen ze bij De Wandelwinkel. „We werken nu op maximale capaciteit”, zegt de vrouw van Peter Jamieson. „Meer wol dan nu kunnen we niet verwerken.”

„Een trui, vooral van mohair, shetland, angora of kasjmier, is het belangrijkste mode-item voor deze winter”, schreef New York Magazine in januari 1981. Maar in de loop van dat decennium maakte de Shetlandtrui steeds vaker plaats voor gladde, zachte truien van acryl of wolsoorten als het regelmatige Australische merino, dat door Oliver Henry „dode wol” wordt genoemd. Geen grote ramp voor de Shetlanders trouwens: eind jaren zeventig werd olie gevonden in de Noordzee. Op Shetland werd een terminal gebouwd, wat een einde maakte aan de achtergestelde situatie van de bewoners. Dit voorjaar werd bij de eilanden opnieuw een olieveld ontdekt. Bijna alle crofters zijn tegenwoordig hobbyboeren, die een paar honderd schapen houden. Voor een serieus inkomen, zegt Derek Goudie, heb je er duizenden nodig.

Japanners zijn dol op ruwe wol

De huidige belangstelling voor Shetlandwol is onderdeel van wat Peter Ackroyd, CEO van de International Wool Textile Organisation en COO van de internationale Campaign for Wool „de wederopstanding van ambachtelijke wol” noemt. „Net zoals consumenten willen weten van welke boer hun kaas en wijn komt, stellen ze vragen over de herkomst van kleding” , zegt hij.

In de sorteerschuur van Jamieson & Smith, de grootste wolverwerker van de Shetlandeilanden. Foto Tom Barr

Zestig jaar geleden waren er vijftig wolproducenten in het Verenigd Koninkrijk, nu nog maar tien. Die tien zijn de afgelopen vijf jaar wel gegroeid. In 2010 werd bijvoorbeeld 410.000 meter Harris tweed gemaakt en in 2016 was dat volgens Ackroyd een miljoen meter meer. Bij Abraham Moon & Sons, een bedrijf dat wollen stoffen en dekens maakt, steeg de omzet in vijf jaar van 9 naar 21 miljoen pond. Jamieson & Smith had vorig jaar het beste jaar ooit – en dan stond de bestelling van Dries Van Noten nog niet in de boeken.

Met name Japanners zijn dol op ‘wooly’ Britse stoffen, zegt Ackroyd. „Hoe ruwer, hoe beter.” Japanners zijn dan ook grote afnemers van Shetlandwol. De garens van Jamieson & Smith die niet teruggaan naar de eigen winkel en groothandel worden verkocht aan vooral Japanse merken en producenten. Ook de truien van Jamieson’s zijn het populairst in Japan.

Niet alle wol die wordt verkocht als Shetlandwol komt van Jamieson & Smith of Jamieson’s. Anders dan Harris tweed, champagne of Parmezaanse kaas is Shetland geen beschermde naam. Volgens Oliver Henry is er een levendige handel in wol die Shetland wordt genoemd, maar afkomstig is van schapensoorten die alleen op Shetlandschapen lijken. Shetland Type, moet zulke wol worden genoemd. „Ik weet dat er in Schotland en Engeland ook wel Shetlandschapen worden gehouden”, zegt hij. „Maar voor mijn gevoel krijg je daar geen Shetlandwol van. De echte heeft hei, zeewier en ons slechte weer nodig.”