Geld kun je niet ophoesten, pinda’s wel

Zomerwoordhoek

Ewoud Sanders geeft toptiens van taalfenomenen. Vandaag: vergeten woorden en uitdrukkingen.

De afgelopen maanden hebben lezers van deze rubriek op mijn verzoek allerlei taallijstjes toegestuurd.

De meeste lijstjes waren kort, maar er zaten ook complete manuscripten bij. Zo stuurde Karel Schampers het Woordenboek van mijn jeugd, een document van bijna honderd bladzijden. Schampers bracht zijn jeugd in de jaren vijftig en zestig door in Eindhoven en Weert. In thematisch geordende rubrieken noteerde hij honderden „namen, begrippen en uitdrukkingen die bij mij (en mijn generatie) direct allerlei kleuren, geuren, gedachten, herinneringen en emoties oproepen”.

Hier een kleine greep uit zijn rubriek tafelmanieren: allemaal nog een klein schepje; eerst opeten wat je niet lust; grote mensen eerst; haar uit je gezicht; je ogen zijn weer groter dan je maag; kruimeltjes zijn ook brood; en: niet eerst al je vlees opeten.

Plus een greep uit zijn rubriek volkswijsheden: doe je mond dicht, je hart wordt anders koud; trek je jas uit, anders heb je er buiten niets meer aan; van koffie krijg je groene haren; en: van meiregen word je groot. „Het is verbazingwekkend”, aldus Schampers, die dit woordenboek voor zijn in 1985 geboren dochter maakte, „dat in zo’n relatief korte tijd zo veel woorden nagenoeg vergeten zijn en in onbruik zijn geraakt. Wat voor mij nog een levende taal is, is voor mijn dochter slechts een echo uit een ver verleden.”

Ook in de korte lijstjes deden vergeten woorden en uitdrukkingen het opvallend goed. „Ik hoor nooit meer”, schreef iemand, „staan kijken als een aap in een garen- en bandwinkel, voor sprakeloos of verbijsterd zijn.” Ik vermoed dat maar weinig jongeren weten wat een garen- of bandwinkel is („Iets met banden?”).

Iemand anders wees op het verdwijnen van Maleise woorden en uitdrukkingen uit het Nederlands. „Met het steeds meer uit het zicht raken van de Indische connectie en het uitsterven van de populatie oud-gasten en repatrianten, vermindert ook de frequentie van het gebruik van uitdrukkingen met Maleise woorden.” Bij de meegestuurde voorbeelden zaten soesa (‘drukte’) maken, zich senang (‘goed’) voelen en iemand op zijn baadje (‘jasje, donder’) geven. Die eerste twee hoor en gebruik ik overigens geregeld, die laatste zelden of nooit.

In een ander lijstje wees iemand op het verdwijnen van de aanvoegende wijs. „Die is volgens mij op sterven na dood; wie is opgegroeid met de Statenvertaling kent natuurlijk nog opdat hij het eeuwige leven hebbe. De aanvoegende wijs overleeft met moeite in moge, dat nog af en toe wordt gebruikt, maar niet door jongeren.”

Relatief veel lezers stuurden lijstjes in met woorden en uitdrukkingen die min of meer synoniem zijn. Een voorbeeld: oorvijg; muilpeer; lel; draai om de oren; flèr om de oren; watjekou; hengst (voor/op de bek); pets (op de wang); klap; optater.

En natuurlijk deden ergernissen het goed, want relatief veel taalliefhebbers ergeren zich snel aan incorrect taalgebruik van anderen. Zo schreef een KNO-arts in ruste: „Op televisie moet de Belasting-Betalende-Burger steeds vaker geld ophoesten in plaats van betalen of opbrengen. Er worden maar twee dingen uit de longen opgehoest: sputum (slijm) en corpora aliena (vreemde lichamen), zoals een per ongeluk verkeerd geschoten pinda. In het artsentijdschrift Medisch Contact is ook al meerdere malen geprotesteerd tegen het onterechte gebruik van de term ophoesten.”

Volgende week sluit ik deze serie af met een rubriek over iemand die een lijst toestuurde waaraan hij vele jaren heeft gewerkt.