De moeilijkheden van schrijven in het wetteloze Rwanda

Freelancejournalist Anneke Verbraeken doet verslag van haar tijd in Rwanda en Oost-Congo. Ze is gedreven, maar het ontbreekt haar boek aan diepgang. Ook stelt ze zich niet altijd even onafhankelijk op.

Rwandese oppositieleider Victoire Ingabire Foto ANP

Anneke Verbraeken is een doorzetter. Ze laat zich als freelancejournalist niet afschrikken door geldzorgen, logistieke hoofdbrekens, bureaucratische tegenwerking of zelfs openlijke intimidatie, blijkt uit haar boek Rijke mensen sterven niet, een journalistieke speurtocht naar onder meer de illegale handel in grondstoffen in Oost-Congo en naar verkiezingen in buurland Rwanda.

Maar gedrevenheid alleen is niet genoeg voor een diepgravend en uitgebalanceerd resultaat, blijkt ook uit haar boek. Verbraeken heeft het in haar Confronterende ontmoetingen in Congo en Rwanda, zoals de ambitieuze ondertitel luidt, wel heel vaak over haar eigen praktische besognes. En als het gaat om haar bewondering voor de omstreden Rwandese politica Victoire Ingabire – een belangrijke verhaallijn in het boek – is ze plotseling geen onafhankelijke, kritische journalist meer.

In 1994 stierven de rijken in Goma niet; die huurden een huis

De intrigerende titel Rijke mensen sterven niet is een citaat uit de mond van Sylvestre, een Oost-Congolese vredesactivist die Verbraeken vanaf haar eerste bezoek in oktober 2009 op weg helpt in Goma – en die zij later helpt naar Nederland te vluchten. Op een terras nabij het Kivu-meer haalt hij herinneringen op aan de Rwandese genocide van 1994, toen de regio werd overspoeld door vluchtelingen. De zwakken – de kinderen, zieken, ouderen en armen – stierven, beschrijft hij. „In 1994 stierven de rijken in Goma niet; die huurden een huis”.

Door deze titel te kiezen, pretendeert Verbraeken dit thema, van de rijken die het in elke tijd wel redden en de zwakken die altijd de dupe zijn, te willen uitdiepen. Maar het is ook Sylvestre die de ondernemende journaliste stilzwijgend duidelijk maakt dat ze misschien wel iets te naïef is en dat ze de lat te hoog legt.

„Bloedmobieltjes, kindslaven, rebellen en soldaten die handelen in illegale grondstoffen, levensgevaarlijke mijngangen. Daarvoor ben ik naar Goma gegaan. Ik wil met eigen ogen zien hoe het zit, ik wil ter plekke praten met iedereen die maar wil praten”, schrijft ze over haar missie. Maar de beruchte mijnen blijken te afgelegen te liggen in de jungle en de route ernaartoe is veel te onveilig om aan een echt bezoek te denken.

Verbraeken moet het doen met pr-gesprekken met zakenlieden en ze wordt ten slotte met openlijke vijandigheid weggejaagd bij een vergadering van comptoirs, grondstoffenhandelaren. „Plots begrijp ik beter waarom Sylvestre zo op de hoede is met deze heren. Niets mag hun handel in de weg staan”, concludeert Verbraeken. Ze maakt hiermee treffend duidelijk op welke barrières pottenkijkers stuiten in deze wetteloze regio, waar krijgsheren en roversbendes de dienst uitmaken. Maar tegelijkertijd wisten we dat ook allemaal al.

Het gemis aan professionele distantie stoort in de hoofdstukken over Victoire Ingabire, die lange tijd in Nederland woonde en die in 2010 terugkeerde naar Rwanda om deel te nemen aan de presidentsverkiezingen daar. Ze provoceerde de regering door – in strijd met de officiële geschiedschrijving over het verloop van de genocide in 1994 – ook aandacht te vragen voor de Hutu-slachtoffers en door te wijzen op de misdaden die destijds werden begaan door de Tutsi-beweging van president Paul Kagame. Nu zit Ingabire een celstraf van vijftien jaar uit wegens samenzwering tegen de regering, het bagatelliseren van de genocide en haatzaaien.

Gruwelijkheden

Verbraeken profileert zich nadrukkelijk als speler in het vaak harde debat over de Rwandese genocide en de rechtsorde. Haar standpunt is dat Ingabire (en anderen) slachtoffer zijn van een politiek gemanipuleerd proces en ze verwijt Nederland de Rwandese justitie te helpen door dossiers te overhandigen en verdachten te willen uitleveren. Haar critici, ook in Nederland wonende Rwandezen, verwijten haar juist in scherpe bewoordingen dat ze het geplande en systematische karakter van de genocide tegen Tutsi’s in 1994 ontkent door alle gruwelijkheden in Rwanda en naburig Oost-Congo op een hoop te vegen.

Beide partijen staan onverzoenlijk tegenover elkaar, en dat zal er na Verbraekens boek niet beter op zijn geworden. Woedend beschrijft ze hoe Rwandese veiligheidsagenten haar belagen tijdens een bezoek van president Kagame aan het koningspaar in Amsterdam. Rijke mensen sterven niet krijgt dan het karakter van een emotioneel pamflet, een J’accuse van een activist. „Heeft dan niemand bij Buitenlandse Zaken het koningspaar verteld dat Paul Kagame van genocide in Congo wordt verdacht? Heeft niemand hun verteld over de vele verdwijningen in zijn land?”, schrijft ze.

Onbevangen journalistieke reisreportages maken over Rwanda kan ze trouwens niet meer. „Als journalist heb ik in Rwanda op dit moment weinig te zoeken; een visum krijg ik niet meer als vijand van het volk, zelfs geen transitvisum.”