Cultuur

Interview

Interview

Fotografie Merlijn Doomernik

‘Een klant moet niet aan mijn waardigheid komen’

In de zaak hangt een geur van sigarettenrook, lijm en leer. Dit is het domein van schoenmaker Hans van der Voordt (73). „Het lastige karakter heb ik van mijn vader.”

De grove vingers van de schoenmaker gaan als een graafmachine door de berg gereedschap. Het is een rommeltje en toch weet hij de hamer direct te vinden. „Deze was van mijn vader. Hij werkte sinds 1931 als schoenmaker. In mei 1940 hebben die jongens van Adolf zijn zaak in Rotterdam gebombardeerd. Mijn vader is in het puin gaan zoeken en vond tussen de verbrande spullen de stalen kop van zijn hamer. Hij heeft er zelf een nieuwe steel ingezet. Toen ik na zijn pensioen de zaak overnam, heb ik zijn schoenmakershamer gekregen.”

Met zijn nagel wrijft hij over de kop van de hamer. Er zitten putjes in van het slaan op spijkers. „Dat ding is door de hitte van het bombardement zacht geworden. Hij is niet hard meer, maar als ik ermee op je hoofd sla, krijg je toch een bult. Die steel staat flink scheef, zie je? Moet ook, anders kun je spijkertjes niet vlak in het leer slaan. Hij is gemaakt van essenhout en is helemaal naar mijn hand gaan staan. Aan de steel merk ik wat voor weer het wordt. Bij regen wordt hij gladder en dan ligt hij beter in mijn hand.”

Twee medewerkers van een energiebedrijf, te zien aan het embleem op hun shirt, komen de winkel binnen. Een van hen is op straat zijn hak verloren en wil meteen geholpen worden. Van der Voordt. „Wij doen niet aan klaar terwijl u wacht. Dan ga je maar lekker naar een hakkenbar.”

Het is de stevige toon die de schoenmaker wel vaker aanslaat in de zaak. De klant is koning, zolang hij zich maar normaal gedraagt.

De mannen druipen af.

„Een klant moet niet aan mijn waardigheid komen. Ik werk graag, maar het moet wel op mijn manier, op mijn tempo. Dat lastige karakter heb ik van mijn vader. Hij kon er niet tegen als er op zijn beroep werd neergekeken. Hij is eens door iemand die hem minderwaardig vond in zijn gezicht gespuugd. Die klant heeft hij door de tochtdeur heen geslagen. Mijn vader had het niet makkelijk; op zijn twaalfde verloor hij zijn vader en heeft nog in een kamp in Amersfoort gezeten. Dat heeft zijn karakter bepaald, denk ik.”

Hij legt een stukje onbewerkt leer op de leest en begint er met zijn hamer op te tikken. „Hier gebruikte mijn vader de hamer het meest voor. Om het leer te kloppen als hij een zool moest maken. Op die manier haalde je de rek eruit en werd de vezel vaster van structuur. Als je de rek er niet uitklopte, ging een zool zo krom staan als een hoepel. Nu wordt het leer gewoon onder een wals gelegd.”

Zijn vingers zijn in de loop der jaren dikker geworden en dat is onhandig. Van der Voordt laat zien hoe moeilijk het is om een koperen spijkertje uit een doosje te pakken en met zijn hamer in een zool te slaan. Schoenmaken is secuur werk. „Vandaag kwam er een politieman langs. Hij wilde een nieuw drukknoopje in de leren houder voor zijn handboeien. Dat is priegelwerk en dan gaat het weleens mis, ja. Sla ik op mijn vingers. Voor de politie werk ik trouwens graag; ik zal altijd proberen hun veiligheid te waarborgen.”

De schoenmakershamer van zijn vader ligt altijd binnen handbereik. Soms alleen voor een fel tikje om de hakjes van een paar pumps vast te slaan, dan weer om na het lijmen van een nieuw stukje leer op een oude schoen nog even stevig na te kloppen. Hij wijst naar een zwart-witfoto: vader en zoon aan het werk in de zaak. „Als ik de steel voel, moet ik altijd aan die ouwe denken: gewoon blijven en normaal doen.”