Loonkloof tussen West- en Oost-Europa wordt steeds groter

West versus Oost

De kloof tussen de lonen in West- en Oost-Europa is alleen maar groter geworden sinds 2008. En dat is slecht voor de héle Europese Unie.

Illustratie Roland Blokhuizen

Door alle recente, vooral door de Franse president Emmanuel Macron aangewakkerde ophef over Oost-Europese loonconcurrentie zou je het bijna vergeten: ze zijn daar nog steeds stukken armer dan hier, in West-Europa. Sterker nog: de inhaalslag van voormalige Oostbloklanden is gestokt.

Volgens woensdag gepubliceerd onderzoek van ETUI (European Trade Union Institute), een aan de Europese vakbeweging verbonden denktank, is de loonkloof tussen oostelijke en westelijke EU-lidstaten sinds crisisjaar 2008 zelfs groter geworden. Afgezet tegen het gemiddelde loon in vijftien West-Europese landen verdiende een Poolse arbeider in 2008 31 procent van dat bedrag. In 2016 was dat minder: 29 procent.

De daling is volgens de Hongaarse econoom Béla Galgóczi, verbonden aan ETUI, ook te zien in vijf andere oostelijke EU-landen: Roemenië, Slovenië, Kroatië, Hongarije en Tsjechië. De Europese Commissie, zegt hij, wakkerde dit aan door het oosten na 2008 net zo hard te laten bezuinigen als het westen, ook al ging het om twee wezenlijk verschillende patiënten. Bulgarije ging er op vooruit, relatief dan: een Bulgaarse arbeider zat in 2008 op slechts 12 procent van een West-Europees loon en nu op 18 procent.

Veel te lage salarissen

Macron liep vorige week, tijdens een bezoek aan Oost-Europa, te hoop tegen Europese detacheringsregels, die het mogelijk maken om tijdelijk in een ander land te werken tegen de in eigen land geldende voorwaarden. In de praktijk heeft dit geleid tot goedkope Oost-Europese arbeid ten koste van duurdere lokale krachten. Meerdere West-Europese landen, waaronder Nederland, bepleiten ‘gelijk loon voor gelijk werk’ en vragen om het inperken van detachering.

Volgens Galgóczi is het ,,absoluut waar” dat de arbeidsmarktregels beter kunnen. Maar de sterke focus op detachering gaat voorbij aan de kern van het probleem, namelijk dat (Westerse) bedrijven in Oost-Europa zelf veel te lage salarissen betalen. Macron, vindt de econoom, zou zijn pijlen minder moeten richten op Oost-Europese regeringen, en meer op eigen multinationals, die de lagelonencultuur in het oosten in stand houden.

Europarlementariër Agnes Jongerius (PvdA) is blij met het onderzoek. Hoewel ook zij ijvert voor strengere detacheringsregels, vindt zij dat er snel iets aan die loonkloof gedaan moet worden. ,,Het loonverschil tussen oost en west is niet gerechtvaardigd. Zij zeggen daar terecht: wij willen óók gelijk loon voor gelijk werk!”

„Het loonverschil tussen oost en west is niet gerechtvaardigd”

Agnes Jongerius, Europarlementariër (PvdA)

Gebrek aan opwaarts perspectief

Een veelgehoord argument: arbeiders in Oost-Europa zijn minder productief, de prijzen voor levensonderhoud liggen daar lager, dus vandaar die lagere lonen. Deels klopt dat ook wel, zegt Galgóczi. Maar zijn onderzoek toont aan dat de loonontwikkeling wel érg fors achterloopt op de productiviteits- en inflatiestijging in de regio. De productiviteit in een Slowaakse autofabriek mag dan bijna even groot zijn als in een Duitse, het salaris is er drie keer zo laag.

Volgens Galgóczi is die loonkloof uiteindelijk een niet te onderschatten bedreiging. Het gebrek aan opwaarts perspectief jaagt de best opgeleide Oost-Europeanen naar het buitenland. En terwijl West-Europa klaagt over die arbeidsmigratie, voedt deze ook de teleurstelling en anti-Europese sentimenten in het oosten zelf. ,,De belofte van EU-toetreding was dat men er op vooruit zou gaan”, zegt de econoom. ,,Nu dit uitblijft zijn, stemmen mensen op verkeerde politici.” Hij wil maar zeggen: dat Polen en Hongarije momenteel een autoritaire en EU-kritische koers varen, komt ergens vandaan.