Column

Swingen en zingen op het zebrapad

Joyce Roodnat

Joyce Roodnat maakt kennis met het fenomeen Crosswalk – the musical, en stelt vast dat Stanley Kubrick haar nog steeds op het verkeerde been kan zetten.

Crosswalk – the Muscial: ‘Beauty and the Beast’ met James Corden als Belle.

Car! Car!! Car!!! Kijk uit! Auto’s! Crosswalk – the musical bestaat al jaren, maar ik heb het nu pas in de gaten. Wat als voordeel heeft dat ik alle afleveringen achter elkaar kan bekijken, via YouTube: The Lion King bijvoorbeeld. En Phantom of the Opera. Grease. En de beste: Hair. Op een zebrapad in Los Angeles worden ze in song-fragmenten uitgevoerd door de Britse komiek James Corden, zijn troupe, en telkens een andere illustere gast. Dick van Dykes Bert in Mary Poppins wordt gespeeld door Ben Kingsley!

Poppins deden ze trouwens op een kruispunt in hartje Londen. Ze ‘doen’ de musicals in telkens de minuut dat het verkeer wacht voor het rode licht. Men komt, doeltreffend gekostumeerd, aangestormd, danst en zingt. Corden, een gezette man met een baardje, vervult altijd zelf de hoofdrol – in een enorme gele baljurk als Belle (van het Beest), in zijn vette nakie in de slotscène van Hair.

Allemaal onbetaalbaar grappig en camp, maar beslist niet amateuristisch: er is zorgvuldig getimed en alles is óók geregisseerd met het oog op een ludiek filmpje met een spannend refrein: „Car!”. Springt het licht op groen dan moeten ze maken dat ze op de stoep komen.

Want de geamuseerde, geeuwende of geërgerde chauffeurs trekken op. Mensen in auto’s hebben nu eenmaal vaak haast. De magische Crosswalk-filmpjes tonen hoe machtig theater is en hoe brutaal je ermee kunt zijn. En vooral onthullen ze dat de goeie musicalsong elke situatie oppept, ook als hij wordt gereduceerd tot één minuut op een drukke verkeerskruising.

Stanley Kubricks 2001 – A Space Odyssey (1968) is een legende. Een film die het duister van de bioscoopzaal nodig heeft. Hij wordt vertoond, dus ik ga. En wéér is het of ik de vorige keer niet goed heb opgelet. Of dat Kubrick is komen spoken (als iemand dat kan, dan hij) en de film heeft veranderd. Die muziek! Was die altijd zo sterk? Altijd afgeleid door de beelden realiseerde ik me nog nooit dat hier overbekende klassieke muziek is omgekat tot musicalsongs. Zo laat Kubrick onder de extatische beelden van ruimtevlucht, raketten en planeten de complete ‘An der schönen blauen Donau’ van Johann Strauss juichen. Grandioze, maar laten we wel wezen, tot een deun versleten muziek. Tenzij je het stuk als een song hanteert: je hoort het en je bent thuis in de onbegrijpelijke vreemdheid van het heelal.

Kubrick waardeerde zijn beste films op tot perverse musicals. In Dr. Strangelove verzoent Vera Lynn (‘We’ll meet again…’) ons met de inslag van de atoombom. In A Clockwork Orange vertrouwt Sir Elgars ‘Land of Hope and Glory’ ons toe aan een amorele afgrond. We hebben geen verweer.