Column

Garage

De garage in de buurt was na de oorlog een opvang voor NSB’ers en foute Nederlanders, die vanwege hun verleden nergens anders konden werken. De huidige directie had daar natuurlijk niets mee van doen, maar ik moest er toch aan denken toen mijn vriendin thuiskwam met de mededeling dat ze haar er een stoel hadden aangeboden om de uitslag van de apk-keuring te verwerken.

We hadden er nooit iets van gemerkt, maar van onze BMW klopte niets meer. We moesten onder andere nieuwe schokdempers, een handgreep voor de rem, ‘een vork’ en een plastic bumper, die laatste gingen ze voor ons vinden op een autokerkhof. Service van de zaak.

We zaten wezenloos naar het totaalbedrag te kijken, ze konden ons alles wijs maken en het erge was dat ze dat daar ook wisten. Als je het zo bekeek waren ze eigenlijk nog mild geweest.

„We zullen ze op hun blauwe ogen moeten geloven”, zei mijn vriendin, die me daarmee een bruggetje naar ‘Foute Kees’ gaf, want Kees Cobussen die de zaak vroeger runde was een lange kerel met heldere ogen die voor een negentiger opvallend fit oogde. Ik leerde hem kennen op de dag dat er juist voor zijn woning een zwerfkei werd gelegd ter nagedachtenis van alle mensen die in de oorlog uit Betondorp waren weggevoerd.

Hij herinnerde zich de oorlog als ‘de mooiste tijd van mijn leven’, een gegeven waar hij altijd eerlijk over was geweest.

„Ik heb er ook nooit spijt van gehad.”

Op de salontafel lag een Duits tijdschrift, op de boekenkast stond een klok in de vorm van een adelaar, eronder lagen stapels van het met foto’s gelardeerde boek waarin hij zijn leven in de oorlog had gedocumenteerd: ‘Jaren zoals ik ze beleefd heb en zoals ik me ze herinner. Geschreven door een ‘foute’ Nederlander’.

Ik zag er wel een verhaal in en kreeg een gestencild exemplaar mee, maar ging er nooit meer op de koffie. Vorige week berichtte zijn nicht dat ‘Foute Kees’ een tijdje terug ‘dan toch nog’ was overleden. In mijn aantekeningen over onze ontmoeting stond dat ze in zijn garage opvallend veel Joodse klandizie hadden. Dat kon volgens hem maar een ding betekenen: „Dan ben je dus een goede garage.”

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.