Een docu als ‘Jesse’ is per definitie niet objectief

Analyse Het verschil tussen een politieke documentaire en een journalistieke reportage is immens, stelt Hans Beerekamp. In welke traditie past de film over GroenLinks-leider Jesse Klaver?

Beeld uit 'De Wouter Tapes' (VPRO) VPRO Tegenlicht

Er is een passage in de film De Keuken van Kok (Niek Koppen, 1998) die ik wel eens laat zien om er het verschil tussen een documentaire en een journalistieke reportage mee te illustreren. Koppen en zijn crew hadden toestemming om de campagne van toenmalig minister-president Wim Kok (PvdA) voor de Kamerverkiezingen van 1998 van binnenuit te filmen. Je zou kunnen zeggen dat ze politiek embedded waren, al was die term toen nog niet in zwang. Het lijkt erop dat er weinig geheimen waren voor de filmmakers. Het grotendeels jonge en ambitieuze campagneteam bespreekt openlijk de strategie en de sterke en zwakke punten van hun kandidaat en zijn tegenstrevers.

Tijdens een bespreking wordt er een praktische mededeling gedaan: „Jongens, haren kammen, want er komt zo een cameraploeg van het NOS Journaal wat sfeerbeelden draaien.” Even later zien we een vrij onnatuurlijk ogend tafereel. De serieus kijkende campagnevoerders zitten achter hun computer, er wordt niet gelachen en gedold zoals een groot deel van de rest van de tijd. Dan betreedt de statige NOS-verslaggever Kees Boonman de ruimte. Hier is duidelijk de onafhankelijke journalistiek aan het werk. Maar wij, die al geruime tijd hebben doorgebracht met het PvdA-team, realiseren ons dat de werkelijkheid van de momentopname die deze reportage oplevert weinig te maken heeft met de waarheid van de embedded documentaire.

NRC zag Jesse en concludeerde: weinig diepgang, maar leuk voor zijn fans

Het was zeker niet voor het eerst dat een politicus vertrouwen schonk aan een cameraploeg, in de verwachting niet te worden opgehangen in een retorische montage. Vertrouwen is immers de basis waarop de samenwerking tussen een documentairemaker en zijn onderwerp rust. In die zin staat elke documentaireregisseur aan dezelfde kant als zijn hoofdpersoon, zelfs als hij politiek diametraal met ze van mening verschilt. Denk maar eens aan de Britse regisseur Nick Broomfield die in The Leader, His Driver, and the Driver’s Wife (1991) de Zuid-Afrikaanse neonazi Eugène Terre’Blanche op een bepaalde manier in zijn waarde laat, zonder twijfel te laten over diens abjecte wereldbeeld.

De hele moderne observerende cinema, of zoals het in Amerika heet direct cinema, is feitelijk begonnen met een documentaire over een verkiezingscampagne, namelijk de tweestrijd in de Democratische voorverkiezingen van 1959 tussen de gevestigde Hubert Humphrey en nieuwkomer John F. Kennedy. Voor het eerst stond de techniek toe dat met lichte, wendbare 16mm-camera’s en draagbare geluidsapparatuur van zo dichtbij een enerverende (en naar later zou blijken: beslissende) politieke episode kon worden vastgelegd. Primary (Robert Drew, 1960) werd het schoolvoorbeeld van filmen zonder commentaar, zonder vragen, zonder duiding achteraf. Alleen maar kijken naar wat er in de werkelijkheid gebeurt, als een vlieg op de muur.

Later zou die ideologie van de fly on the wall wel weer worden uitgedaagd, want filmmakers zijn geen vliegen. Ze maken keuzes en elk filmkader laat sommige zaken opzettelijk buiten beeld. Het standpunt van de filmer wordt in direct cinema (of de Europese variant cinéma vérité, met meer nadruk op de totstandkoming van de eigen beelden) niet bepaald door wat hij erover beweert, maar door de beelden zelf, die voor zichzelf moeten spreken.

We zijn in het tijdperk van de sociale media en manipulatie er ons nu meer van bewust dat het feit dat je een beeld ziet, nog niet betekent dat je naar de waarheid kijkt. Een haai in een overstroming in Houston kan nep zijn, maar niet alleen door een misleidend bijschrift. Als het gaat om de kadering van nieuws is het schoolvoorbeeld dat beeld van Bosnische gevangenen tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië, die van achter prikkeldraad recht in de camera kijken. De associatie van kijkers in de hele wereld was: dit is een concentratiekamp. Later zou blijken dat in een iets andere beelduitsnede het prikkeldraad geen deel uitmaakte van een gesloten omheining. Aan beide uiteinden kon je er gewoon langs lopen.

Dat is het nadeel van die snelle journalistieke reportages: je weet niet welke afspraken er zijn gemaakt en aan welke kant de maker stond. Ook dat is een kwestie van vertrouwen, in dit geval tussen de nieuwsleverancier (omroep, zender, medium) en de kijker.

Je kunt verdedigen dat een embedded documentaire over een politicus relatief veel duidelijkheid biedt over het standpunt van de maker, die in ieder geval niet als doel heeft om deze politicus zo veel mogelijk te beschadigen. Vaak is het onderwerp ook eerder de campagne, en daarin weer de spindoctors, dan het karakter en het talent van de politicus zelf. Voorbeeld: The War Room (Chris Hegedus en D.A. Pennebaker, 1993) gaat meer over campagnestrategen George Stephanopoulos en James Carville dan over hun kandidaat Bill Clinton.

Per definitie (dat is een ander cruciaal verschil met reportages) wordt een documentaire gemaakt vanuit een visie op het onderwerp, er is een positie ingenomen. De mate van eerlijkheid van de maker over dat standpunt bepaalt mede de kwaliteit van het resultaat. Wie daarmee sjoemelt, maakt nog weer een andere vorm van non-fictie, namelijk propaganda. Met een nette term wordt dat wel eens een retorische documentaire genoemd. Ook die heeft recht van bestaan, als maar duidelijk is dat het de bedoeling is onze opvattingen te beïnvloeden. De grootmeesters zijn Leni Riefenstahl, Michael Moore en tot op zekere hoogte Joris Ivens.

Een politicus die zich laat filmen tijdens een campagne verdient waardering voor zijn moed. Het is immers vrij zeker dat hij iedereen, dus ook zijn vijanden, meer inzicht zal verschaffen in zijn kwetsbaarheid. Het meest extreme voorbeeld is wellicht dat een politicus zichzelf filmt, al dan niet in de spiegel bekentenissen en twijfels met ons delend. Een van de fraaiste voorbeelden is De Wouter Tapes (redactie en samenstelling Rudi Boon en Kees Brouwer, 2007), waarin voormalig PvdA-leider Wouter Bos met de billen bloot ging. Ook Femke Halsema (GroenLinks) ging vrij ver in haar zelfkritiek over het optreden in de zaak rond het paspoort van Ayaan Hirsi Ali, in de documentaire van haar man Robert Oey De Leugen (2010).


Opvallend aan dit (verre van complete) rijtje van politieke documentaires van binnenuit is dat vrijwel alle hoofdpersonen van progressieve signatuur zijn. Dat kan te maken hebben met de politieke voorkeuren van veel filmmakers, maar misschien nog wel meer met het gegeven dat linkse politici wellicht eerder bereid zijn het masker van onaantastbaarheid en machismo een klein beetje opzij te schuiven.

Een interessante uitzondering was Journeys with George (2002), waarin de Republikeinse gouverneur van Texas, George W. Bush, werd gevolgd tijdens de campagne die zou uitmonden in zijn eerste termijn als president van de Verenigde Staten. Het meest verbazingwekkende was wellicht dat de regisseur Alexandra Pelosi de dochter was van een van zijn grootste politieke tegenstanders. Nog steeds is Nancy Pelosi de leider van de Democratische fractie in het Congres. Het spel van kat en muis tussen Bush jr. en Pelosi jr. levert misschien niet heel veel nieuwe inzichten op, maar de gang van zaken in de omgang met de pers aan boord van campagnevliegtuigen zal niet veel kijkers bekend zijn geweest.

Journeys with George had nog een ander gevolg dat in dit verband niet onvermeld mag blijven. Tijdens de presentatie van de film in Amsterdam op documentairefestival IDFA werd Alexandra Pelosi verliefd op een Nederlandse advocaat, Michiel Vos. Korte tijd later trouwden ze, gingen in de VS wonen en ook samen films maken. Vos besloot ook politiek correspondent te worden voor Nederlandse media, waaronder EenVandaag (AVRO-TROS). Hij doet daarin verslag van ontwikkelingen in de Amerikaanse politiek, ook als zijn eigen schoonmoeder daar een rol in vervult. Bij Nederlandse talkshows die Vos aan tafel uitnodigen, merk je vaak enige opwinding dat een landgenoot zo diep embedded is in het hart van de Amerikaanse politieke elite.

Over de positie van Vos als onafhankelijk politiek verslaggever heb ik me wel eens achter de oren gekrabd, maar in Hilversum of Den Haag heb ik er nooit een onvertogen woord over gehoord. Het lijkt me vele malen problematischer dan Jesse, een documentaire over de lijsttrekker van GroenLinks, gemaakt door een medewerker van die campagne. Dat standpunt is tenminste duidelijk. En een documentaire is per definitie niet objectief, terwijl journalistiek daar wel naar zou moeten streven.

Hans Beerekamp is redacteur van NRC. Hij verzorgde de afgelopen veertien jaar de tv-rubriek Zap.