Column

Scharrelaars op een boot

Al geruime tijd kon ik vanuit mijn raam neerkijken op een oude, zwarte boot die roerloos afgemeerd lag tegen de kade. Het was geen fraaie boot, meer een somber, afgedankt geval waar de eigenaar geen raad mee wist. De boot leek niet geschikt om ontspannen mee te spelevaren op de Amsterdamse wateren, daarvoor was hij te hoekig en te log.

Je zag nooit iemand op of bij de boot. Toch moest er een eigenaar zijn, al was het alleen maar om het liggeld te betalen. Hoewel dit doodse uitzicht mij eerder stoorde dan bekoorde, merkte ik ook dat het mij intrigeerde. Waarom schafte iemand zich een boot aan om hem hier ongebruikt te laten liggen? Of had hij toch een of ander doel voor ogen dat wij niet mochten weten?

Onlangs, op een zonnige zomerdag, ontstond er opeens enig leven op de boot. Ik keek er met grote verbazing naar. Drie mannen verrichtten opruimwerkzaamheden, zowel op het dek als in de bescheiden, met een zwart zeildoek omspannen kajuit. Ze schoven allerlei dozen en een soort matras op de kade. Het duurde enkele uren voor ze klaar waren. Toen vertrokken ze, terwijl ze de rommel op de kade achterlieten – die kon de gemeentereiniging over twee dagen opruimen, daar zijn ze voor, wij niet.

De volgende morgen stond ik nogal afwezig naar de boot te staren toen er opeens leven in de kajuit ontstond. Het zeildoek trilde en een mannenhoofd kwam voorzichtig uit een smalle opening tevoorschijn. Het keek eerst naar links, toen naar rechts en besloot vervolgens dat de kust ook vrij was voor het onderlichaam.

De man deed zijn grijze joggingbroek omlaag en begon in de richting van de kade te plassen. Ik vroeg me ernstig af of hij, zonder op het dek te morsen, met zijn straal de walkant kon bereiken. Ik weet dat er begaafde vérplassers onder de mannen zijn, vooral op feestdagen in Amsterdam, maar dit leek mij technisch onmogelijk. De man verdween weer in de kajuit, maar al een paar minuten later verscheen er een andere man die precies dezelfde handelingen verrichtte. Het moest een smeerboel worden op dat dek.

Een uurtje later klommen de mannen gekleed en, hopelijk, gewassen en geschoren aan dek. Ik herkende in hen twee van de mannen die een dag eerder de boot hadden opgeruimd. Het waren jonge, donkerharige mannen van vermoedelijk mediterrane afkomst. Hadden ze toestemming van de eigenaar, waren ze misschien zelf de eigenaar, of hadden ze de boot gekaapt? Het werd niet duidelijk. De dagen hierna zag ik ze af en toe wat rondlopen bij de boot. Ze gingen meestal vroeg weg en kwamen laat terug.

Op een morgen verschenen opeens twee politiewagens bij de boot. Enkele politiemensen onderzochten het dek terwijl de twee tijdelijke bewoners beschroomd uit de kajuit kwamen. De politie ondervroeg hen, maakte uitvoerig aantekeningen en sommeerde hen hun spullen te pakken en te verdwijnen.

Iemand moest de mannen aangegeven hebben. Was dat nodig geweest? Ik aarzelde – en aarzel nog steeds. Ik houd niet van klikken, de mannen hadden bovendien de buurt niet op stelten gezet, ze hadden alleen goedkoop en illegaal gelogeerd. Was dat zo erg? Toch moest ik toegeven dat ik het wel prettig vond ze daar niet meer te hoeven zien rondscharrelen. „Je weet maar nooit.” In elke burger schuilt een kleinburger.