Als de avond valt, is het dorp van de beer

Roemenië

In kuuroord Baile Tusnad is de bruine beer het gesprek van de dag. De jager wil ze doden, de beschermer wil ze laten rondlopen, de toerist wil ze lokken, de bewoners blijven binnen na zonsondergang.

Een wilde bruine beer, deze zomer op straat op zoek naar voedsel in Baile Tusnad, in de Roemeense streek Transsylvanië. Foto Nandor Veres/EPA

Rond negen uur’s avonds, als het uitgebluste zomerlicht wegzinkt achter donkere naaldbomen, begint in Baile Tusnad het uur van de beer. In een op en neer schokkende terreinwagen brengt ‘berenherder’ János Szín zeven toeristen terug van een uitkijkpost in de heuvels rond het negentiende-eeuwse Transsylvaanse kuuroord.

Twee uur hebben ze gewacht in een hut bij een open plek in het bos. Szín fluisterde berenweetjes tot de palinkabrandewijn en de spanning hun werk deden en iedereen in stilte naar de onbeweeglijke bosrand staarde. En dan: een korrelige vorm, net te onderscheiden tussen het groene gras en de grijze lucht. Door Színs verrekijker krijgt het dier heldere contouren: scherpe snuit en gekromde roofdiernagels, waarmee het zich vredig achter het oor krabt.

Dat is de mooie manier om een beer te zien in het kleinste dorp van Roemenië, in de oostelijke Karpaten. Ordinair kan ook. In een land waar volgens het staatswildbeheeragentschap meer dan 6.500 bruine beren leven – zo’n 40 procent van de Europese berenpopulatie ten westen van Rusland— gaan gemakzuchtige toeristen niet eens meer het bos in. Zo talrijk zijn de beren, dat ze elke nacht uit de heuvels komen om te wandelen over de promenades die richting mineraalbronnen en thermale baden voeren. Daar wachten de toeristen.

Bij het treinstation aan de rand van de dorpskom werpt Szín een afkeurende blik op het twintigtal mensen die tegen de motorkap van hun auto’s leunen. Bejaarden, kinderen en hun ouders: welgemutst strooien ze voedselresten op de plaats waar de straatverlichting het beton tussen zes vuilcontainers beschijnt.

Hongerige reus

Een wit busje rijdt traag voorbij. „Heb je er al een gezien?”, vraagt de chauffeur. Het is een kwestie van tijd voor een hongerige bruine reus het lokaas oppikt in het vizier van tientallen smartphones.

Voor toeristen zijn beren, in grote delen van Europa uitgestorven, een exotische attractie. De inwoners, die leven in de permanente nabijheid van de dieren, zien hen als lokale mascotte maar ook als afschrikwekkende indringer. Zij dragen hun dorp na zonsondergang noodgedwongen aan de beren over. „Het lijkt alsof ze een vast programma hebben”, zegt agent László Farkas. Ze openen ‘beerbestendige’ afvalcontainers, plukken pruimen uit de boom en gaan op veranda’s zitten. Soms klauwen ze zich een weg door het raam en graaien ze pannenkoeken van tafel of biefstukken uit de diepvries.

Farkas vraagt toeristen, vaak vergeefs, de beren niet met voedsel te lokken. Het aantal meldingen van aanvallen op vee, mensen en hun bezittingen is gestegen in Harghita, het district waarin Baile Tusnad ligt: 73 meldingen in 2017, bijna een verdubbeling ten opzichte van 2016, waaronder zeven gevallen van menselijke verwondingen. Begin juli beet een beer een herder in hoofd, heup en genitaliën. „Hier zijn nog geen mensen aangevallen,” zegt Farkas. Toch, zegt hij, „is hun aantal excessief” – een veelgehoorde mening in het dorp en omgeving.

De oplossing was tot voor kort eenvoudig: schieten. De overheid kende jachtverenigingen jaarlijkse jachtquota toe van enkele honderden beren. In 2016 besloot de regering Europese regels over natuurbescherming strikter toe te passen en een jachtverbod uit te vaardigen. Sindsdien haalden voorstanders van de jacht elk incident met een beer aan als bewijs dat het verbod het gevaar voor inwoners verhoogde. Na een demonstratie van honderden boze burgers kondigde minister van Milieu Gratiela Gavrilescu aan dit jaar het doden van 140 beren toe te staan. Maar het debat tussen jagers en natuurbeschermers gaat verder.

Afschieten is noodzaak, zegt József Benke, voorzitter van een regionale jachtvereniging. Die zijn in grote delen van Roemenië verantwoordelijk voor wildbeheer. Benke beheert een privébos van 53.000 hectare ten noorden van Baile Tusnad. Veertig jaar jagen bezorgde hem enig inzicht in het gedrag van beren – en bezorgde hem nog meer jachttrofeeën. De traphal van zijn huis in het stadje Odorhei is behangen met schedels. In de pronkkamer in de kelder bevinden zich de huiden van een beer, een wolf, een vos en twee dassen. „Mijn machokant”, lacht de gezette man met snor. Maar denk alsjeblieft niet dat jagers bloeddorstig zijn.

Benke: „Het gaat over wildbeheer. Boeren slapen niet. De bevolking verliest haar tolerantie. Mensen zetten vallen, strooien gif en gooien maïs op de rails.” Dit in de hoop dat een trein een beer doodrijdt, zoals in Bodoc. Als niemand jaagt op de beren, verliezen ze hun natuurlijke angst voor mensen, zegt Benke. „Kwestie van tijd voor we doden zien.”

Duizenden euro’s per beer

Leonardo Bereczky, stichter van een reservaat voor moederloze berenwelpen in het nabije Hasmasgebergte, vindt zulke retoriek typerend voor de „antiberencampagne” van lokale jachtverenigingen. Vóór het jachtverbod begeleidden zij buitenlanders op trofeeënjacht en kregen duizenden euro’s per beer. Sinds het verbod derven ze inkomsten, zegt hij. Daarom zouden ze de aanwas van jonge beren overdrijven. Een kwarteeuw geleden was de berenpopulatie groter. Dierenrechten-ngo’s stellen dat de overheid zich baseert op tellingen van jachtverenigingen met een dubieuze methodiek.

Verhalen over de agressieve inborst van de beer zijn overdreven, zegt Bereczky. „Ik werk al twintig jaar met beren, ben gepromoveerd op hun gedrag. Ik leef tussen beren. Ze mijden mensen zo veel mogelijk.” Bovendien, zegt hij, „verwonden beren niet meer dan dertig mensen per jaar.” Verwaarloosbaar in vergelijking met verkeersdoden.

Het echte probleem is volgens hem niet het aantal beren, maar mensen die roekeloos handelen of de leefomgeving inpalmen. Waar vroeger bossen waren, vind je nu landbouwgewassen, voedsel strooiende toeristen en grazend vee. „Wat zou jij doen als beer, wanneer een onbewaakt schaap het struikgewas binnenwandelt waar je ligt te slapen?” In zijn reservaat groeien welpen ‘op natuurlijke wijze’ op, met minimaal menselijk contact: Bereczky brengt voedsel met drones.

Het gaat over wildbeheer. Boeren slapen niet. De bevolking verliest haar tolerantie. Mensen zetten vallen, strooien gif en gooien maïs op de rails.

Volgens Benke doen Bereczky en een reeks ‘donkergroene ngo’s’ aan propaganda. „Er is het Roemenië van de Facebook-hysterie die werkt bij jonge stadsbewoners. Zij denken dat wij bloederige moordenaars zijn. En er is het andere Roemenië, dat in de realiteit leeft.” Wie de jagers van winstbejag verdenkt, vergist zich: het geld dat ze kregen van buitenlandse jagers, besteedden ze aan uitgaven zoals elektrische omheiningen voor inwoners.

Benke en Bereczky schermen met verschillende cijfers, anekdotes en interpretaties. Onder hun feitelijke conflict zit ook een moreel conflict. Benke werpt zich op als beschermer van de mens die zijn omgeving omkneedt en beveiligt. Voor Bereczky zijn de grenzen van de territoriumuitbreiding en risicobeperking bereikt: tijd voor de mens om een stap terug te zetten. „Willen we helemaal geen risico? Knal dan maar alle beren af.”