Cultuur

Interview

Interview

Henk Grol op de bank in het huis dat hij na de breuk met zijn jeugdliefde verbouwt. „Alles moet van mij zijn. Dat is nu belangrijk.”

Foto Frank Ruiter

‘Alleen met goud kon ik slagen in dit leven’

Henk Grol judoka

Na de mislukte Spelen van Rio liep zijn relatie op de klippen. Hij ontdekte dat er meer is dan judo. „Mijn lichaam is me dierbaarder geworden.”

Vorige week woensdag, 23 augustus, Nationaal Sportcentrum Papendal. De Nederlandse judo-equipe is bijeen voor een persmoment in aanloop naar de WK in Boedapest, deze week. Ook Henk Grol (32), de bekendste van allemaal, is erbij. Hij heeft pijn in zijn linkerknie, maar kan dat verhullen. Aan het journaille vertelt hij dat hij niet kan wachten om zijn rentree te maken. Maar eigenlijk weet hij dan al: dat WK gaat ’m niet worden.

Een dag later post hij een bericht op Instagram: hij heeft zijn binnenband ingescheurd en heeft besloten zich af te melden. Niks voor hem, op het WK van 2009 reikte hij zelfs met een afgescheurde knieband tot de finale, die hij verloor. Kon hem het verrotten wat hij kapot zou maken, hij was bereid zijn leven te geven voor een gouden medaille. Maar het voorbije jaar zijn er dingen gebeurd die hem tot zelfreflectie hebben gedwongen, die de dingen in een ander perspectief plaatsten, zelfs het judo, de basis waarop hij zijn identiteit heeft gebouwd. Hij raakte de bodem, maar krabbelde eigenhandig ook weer op. En daarvan is deze beslissing het resultaat.

Megalomaan leven

Henk Grol legt schaamteloos zijn ziel bloot op een zonnig terras in zijn woonplaats Haarlem, omringd door mensen. Hij reflecteert op een megalomaan leven van bijna drie decennia. „De afgelopen 27 jaar heb ik geen rust genomen. Zelfs op vakantie zat ik in de sportschool. Het was dwangmatig en dat heb ik altijd gehad. Toen ik twaalf was zei ik tegen mijn vader: ‘ik moet en zal wereldkampioen worden.’ Aan zo’n instelling ga je kapot. Dat is ook gebeurd.”

Als kind had Grol een groeiachterstand. Zou je nu niet meer zeggen, de man is 107 kilo spier. „Alles wat je ziet is training, keiharde arbeid.” Het liefst judode Grol tegen jongens die zwaarder en sterker waren dan hij, ter overcompensatie, en dan gebruikte hij de tactiek van de overrompeling, zijn handelsmerk en tegelijkertijd zijn valkuil. Nog altijd heeft hij op de mat zijn driften niet in de hand. Zijn tegenstander moet op de rug, zo snel mogelijk. Het kostte hem wereldtitels, olympisch goud. „Het is de drang om me te bewijzen.”

Toen hij vijftien was, ontdekte hij het belang van „ijzer tillen”. In de sportschool werkte hij dag in dag uit aan een op het oog onverwoestbare versie van zichzelf, want „van krachttraining word je hard, maar het is ook goed voor je geestelijk gestel.” Drie jaar later brak hij door, toen hij „Russische junioren met baarden” tegen de grond smeet alsof ze er niet stonden en Europees juniorenkampioen werd. Hij trainde soms wel drie keer per dag, zodat hij er zeker van was dat hij meer deed dan zijn tegenstanders. „Op mijn achttiende zei ik in de auto onderweg naar een wedstrijd tegen Dennis van der Geest [oud-topjudoka, red.]: ‘Ik wil gewoon slagen.’ Hij schrok. ‘Ben je gek geworden’, zei hij, want dat is niet normaal. En toch was dat het enige wat telde. Ik kon dat niet loslaten.”

Ik ben een Bourgondiër, ik houd van goed eten. Dat is een probleem.

Gevecht tegen kilo’s

Het is in die periode dat Grols „struggle” begint, het gevecht tegen de kilo’s. Hij komt eerst uit in de klasse tot 90 en later tot 100 kilogram. In de wedstrijdvrije periode ‘groeit’ hij door krachttraining naar 110, 115 kilo. Voor een toernooi moeten die kilo’s er ook weer af. Hij moet op dieet, moet zijn geliefde ijzer laten liggen. Spieren opbouwen, om ze daarna weer af te breken. Gekmakend. „Ik ben een Bourgondiër, ik houd van goed eten. Dat is een probleem.”

Al die opofferingen leveren Grol drie Europese titels op, evenveel zilveren WK-medailles en twee bronzen plakken op de Spelen. De beste ter wereld werd hij nooit. In Rio, nu een jaar geleden, knapt er iets bij hem. Als hij in de derde ronde verliest van een Fransman die hij al acht keer versloeg, roept hij dat dit het einde van ‘het tijdperk-Grol’ is, dat hij niet langer alles opzij kan zetten voor zijn sport. „Bijna dertig jaar lang was er niets anders dan judo voor mij, het was een obsessie. Ik legde mezelf zo ontzettend veel druk op, dat ik er niet van kon slapen. Alleen door te trainen kon ik ontsnappen. Judo was een vlucht geworden. Maar in Rio was ik op, mentaal en fysiek.”

Op de dag dat de Nederlandse ploeg in Scheveningen wordt gehuldigd, ligt Grol op de operatietafel. Hij heeft al meer dan een jaar een afgebroken stuk bot in zijn schouder en dat doet veel pijn. Drie maanden moet hij revalideren, mag hij niets doen. „Dan word ik dus helemaal gek. In zekere zin is krachttraining een verslaving voor mij. Thuis was ik niet te handhaven.”

Ik ben altijd aan het malen in mijn hoofd, maar op een boot niet. Dan geef ik mijn gedachten mee aan het water en de wind.

Leven gereset

Na veertien jaar loopt afgelopen november de relatie met zijn jeugdliefde stuk. Het is de grootste klap die Grol in zijn leven te verwerken krijgt. Zijn leven wordt gereset.

In december reist hij naar Aruba, naar een vriend, en daarna vertoeft hij nog drie weken op Curaçao, op uitnodiging van zijn voormalige krachttrainer Herman Debrot. Hij ontdekt er dat er ook andere dingen in het leven zijn dan judo: hij gaat zeevissen. „Ik houd van de zee. Het is eigenlijk de enige plek waar ik kan loslaten. Ik ben altijd aan het malen in mijn hoofd, maar op een boot niet. Dan geef ik mijn gedachten mee aan het water en de wind. Daarom ben ik nu ook aan het kite-surfen. Word ik nog sterker van ook.”

In mei besluit Grol weer terug te keren op topniveau. Hij mist de strijd, het leven vol intense momenten, vol confrontatie. Op de WK in Boedapest wil hij een zware periode afsluiten. Maar zijn lijf werkt niet mee. Tijdens een training op Papendal wil hij zijn tegenstander ‘vegen’ als hij een tik op zijn linkerknie krijgt. Hij weet meteen dat het mis was. Tegen beter weten in besluit hij door te trainen, maar afgelopen donderdag velt de dokter een finaal oordeel: naar de WK gaan kan einde carrière betekenen.

Allergrootste steun

Hij belt met Yves Kummer, de oud-rugbyer en oprichter van het juridisch orgaan NL Sporter, zijn „allergrootste steun”. In zijn zwaarste periode – depressief was Grol niet, daar doet hij niet aan – was het Kummer die hem mentaal verlichting bracht. Ze bellen elke dag. „Als je naar de WK gaat, ben ik je vriend niet meer, zei Yves tegen me. Hij wilde me niet nog eens uit het putje trekken.”

Voor de eerste keer in zijn leven luistert Grol naar een ander. Hij meldt zich af voor de WK. „Ik weet: er is meer dan judo. Ik ben me aan het ontplooien, ben mijn huis aan het verbouwen; nieuwe vloer, nieuwe keuken. Alles is van mij. Dat is nu belangrijk. Ik train ook een stuk minder, durf te genieten. Mijn lichaam is me dierbaarder geworden.”

In november is de WK ‘open gewichtsklasse’ in Marrakech zijn nieuwe doel. Kan hij meteen uittesten of hij perspectief heeft in het zwaargewicht, de categorie waarnaar hij wil overstappen zodat hij dat gedonder met zijn gewicht achter zich kan laten. Het zou hem veel stress schelen.

Zijn carrière bekijkt hij per jaar. In Rio zei hij nooit meer naar de Spelen te willen. Maar stiekem is hij er toch al mee bezig: „Anton Geesink werd in 1964 olympisch kampioen in het zwaargewicht. Dat was toevallig ook in Tokio.”