Opinie

Verzwakt IS in stand houden is slimmer

Er is zelden een goed antwoord op een guerrilla. Nu IS het slagveld verlegt naar westerse steden, zou het deels in stand houden van het kalifaat in ons belang kunnen zijn, denkt majoor .

Illustratie: Ruben L. Oppenheimer

Een guerrilla die een machtige staat kan uitputten en ten slotte op de knieën dwingt – dat is het door Mao Zedong bedachte idee van de protracted people’s war, de ‘uitgesponnen volksoorlog’. Mao’s theorie is opnieuw actueel na de reeks door Islamitische Staat opgeëiste aanslagen in Europese steden, waarvan die in Barcelona de meest recente is.

Terwijl een internationale coalitiemacht in het Midden-Oosten IS steeds verder in het nauw drijft, heeft IS-leider en zelfbenoemde kalief Abu Bakr al-Baghdadi zijn strijdkrachten opgeroepen tot een nieuw offensief waarbij „veiligheid moet worden omgezet in angst”.

Eerder dan een bevel aan zijn grondtroepen – waarvan er trouwens steeds minder zijn – was dat een oproep tot het plegen van aanslagen door ‘slapende cellen’ en volgelingen die in het Westen verblijven.

Mao’s guerrilla-doctrine beschrijft drie fases. De eerste is die van het ‘strategisch defensief’. Daarin kiest de insurgent, de opstandeling, voor het terrein waar zijn tegenstander zo min mogelijk grip op hem heeft, om van daaruit zijn boodschap te zenden. In Mao’s tijd was dit het platteland, voor IS was het de woestijn en bepaalde wijken in grote steden. Het idee is: tijdelijk en plaatselijk het gevecht aangaan. Want in deze fase ben je nog niet sterk genoeg om de oorlog te winnen. Het doel is niet het verslaan van de vijanden, maar het toebrengen van gevoelige tikken die de aandacht van de bevolking op jouw organisatie en doelstellingen vestigen.

Een militaire impasse kan op termijn leiden tot een politieke opening, zie IRA en FARC

In de tweede fase, de ‘strategische patstelling’, is de opstand te groot geworden om volledig uit de greep van je opponent te blijven, maar nog te klein om hem beslissend te kunnen verslaan. Er is sprake van een onvermijdelijke, constante strijd tussen regering en rebellen.

IS lijkt deze fase in eerste instantie overgeslagen te hebben. De focus van het Westen lag immers op Al-Qaida, waardoor de IS in de schaduw kon groeien en direct een stap maakte naar fase drie: het ‘strategisch offensief’. Dat is gericht op de overname van de macht. Een stap die IS met de plotselinge verovering van een aantal Syrische en Iraakse steden sinds eind juni 2014 de facto had gerealiseerd.

De opmars van IS kwam mede door internationaal ingrijpen al snel tot een einde. Dat leidde tot een terugval naar stap twee, de patstelling. Om op termijn opnieuw de stap vooruit naar fase drie te maken, indoctrineerde IS kinderen, startten ze een programma op om vrouwen zwanger te laten worden van dappere strijders en begonnen ze een hearts & minds-campagne om jonge moslims naar het kalifaat te lokken.

Dat het fysieke rijk van de kalief na een kolossaal offensief van lokale troepen en internationale bombardementen nu op instorten staat, is evident. Of hij zelf denkt dat het definitieve einde nadert, valt te betwijfelen. Het is goed denkbaar dat zijn oproep niet is gedaan uit wanhoop, maar dat hij een soortgelijke doctrine als die van de Chinese dictator volgt. Als er in fase twee of drie iets mis gaat, is het niet meer dan logisch om terug te vallen op een eerdere fase en vandaaruit opnieuw te beginnen.

Bij elke guerrilla is het gevoel van onrecht of onvrede de kern van een opstand. Wie vooral een militair antwoord zoekt, zoals het Westen in de strijd tegen IS, doet vooral aan symptoombestrijding. Het zorgt er ook voor dat opstanden een cyclische karakter hebben.

Succes bij een zogeheten counter-insurgency is dus zelden het gevolg van louter militaire inzet. Militair historicus Martin van Creveld beschrijft het zo: „De eerste en absoluut onmisbare voorwaarde is het overboord gooien van 99 procent van de literatuur over counter-insurgency, counter-guerrilla, counter-terrorism, enzovoorts. Omdat het merendeel ervan is geschreven door de verliezende partij, is het waardeloos.”

Of de kalief zelf wanhopig denkt dat het definitieve einde nadert, valt te betwijfelen

Een insurgency is vergelijkbaar met een ambitieuze puber, een angry young man vol ongeduld en ongenoegen. Omdat hij zich fysiek sterk voelt maar nog inhoud en ervaring mist, kiest hij gefrustreerd voor het gevecht. Hij mist als het ware de volwassenheid om de dialoog aan te gaan.

Vanuit dat perspectief is tijd of geduld een beslissende factor in een counter-insurgency. De constante aanwezigheid van militaire eenheden en een langdurige patstelling zullen er uiteindelijk toe leiden dat ook de aanvoerders van een opstand de strijd niet als oplossing zien en gedwongen worden tot politieke onderhandelingen. Een proces van ‘volwassen worden’ dat ook de IRA in Noord-Ierland en de FARC in Colombia doorlopen hebben.

Met de val van Mosul en het grondoffensief in Raqqa is de militaire overwinning op IS bijna een feit, maar geruststellend is dat op zijn minst. Natuurlijk willen we IS als staat niet erkennen of in stand houden, maar het alternatief is misschien wel gevaarlijker. Hier aanwezige sympathisanten en slapende cellen die invulling geven aan de oproep van Al-Baghdadi om terug te vallen op het strategisch defensief, Mao’s ‘eerste fase’. Een wereld waar (jihadistische) aanslagen ons gevoel van veiligheid omzetten in angst.

Het kalifaat in enige vorm in stand houden is voor veel mensen niet bespreekbaar, maar voor mij wel. Het feit dat we weten waar onze tegenstander zit, wie het is en wat hij doet, biedt ons namelijk de mogelijkheid om hem onder controle te houden. De patstelling in stand houden tot je tegenstander geen andere uitweg meer ziet dan de politieke vraagt moed en geduld. Het is echter een mogelijke lange termijnoplossing, die veel geld kost en helaas ook mensenlevens.