Column

Hoe honds is prairiehond?

Het leek zo’n leuk, zonnig dagje Artis te worden. De twee kleinkinderen – Glenn (12) en Fay (8) – hadden er zin in, hun grootouders zagen met de gebruikelijke vertedering toe. Na anderhalf uur vol vlooiende apen, kruiperige leguanen en luierende luipaarden kwamen we bij het terrein van de zwartstaartprairiehond terecht.

Het zijn knaagdieren, niet langer dan 30 centimeter, een soort eekhoorns met dit grote verschil dat ze alleen op de grond leven. Ze zijn afkomstig van de Noord-Amerikaanse prairies.

Er was alleen een laag stenen muurtje dat deze diertjes van het publiek scheidde. Ze kwamen tot op armlengte naderbij. Sommige bezoekers, kinderen vooral, hingen over het muurtje om wat gras of takjes aan te reiken. Ik draaide me om en liep naar een koolzwarte jaguar, die verderop eenzaam in een boom zat.

Terwijl ik hem met ontzag bekeek, hoorde ik opeens opgewonden stemmen. Mijn vrouw kwam op me af met een huilende Fay die een bloederig handje omhoog hield. Een prairiehondje had haar gebeten. Ze had niet willen voeren, snikte ze, ze had hem alleen een takje gegeven en toen had hij per ongeluk naast het takje gebeten, in haar duim, en toen was hij daar met zijn tandjes aan blijven hangen en toen had ze hem los moeten schudden en toen…

De wond was klein, maar het leed groot. Een vriendelijke jongeman van Artis gaf ons bij de ingang een pleister en wat Betadine. Werden er wel meer mensen in Artis gebeten, vroeg ik nog. Vrijwel nooit, zei hij met klem. Dat hadden wij weer. We kregen het advies voor een eventuele tetanusprik naar het ziekenhuis te gaan.

Onderweg informeerde Fay een paar keer verdrietig of ze nu misschien dood zou gaan. Elke geruststelling was goed voor vijf minuten onbezorgd hollen en gieren met Glenn, waarna het verdriet onvermurwbaar zijn rechten weer opeiste.

Gelukkig bleek op deze zaterdagmiddag in het ziekenhuis de vrolijkste en hartelijkste huisarts van Amsterdam werkzaam. Ze vroeg ons door welk diertje Fay gebeten was. Ik zocht naar die lange naam, maar Glenn was me al voor. „Zwartstaartprairiehond”, zei hij plechtig. Het woord fascineerde hem, hij zou het die dag meermalen zeggen. De dokter riep tegen Fay: „Dus jij komt helemaal naar Amsterdam om je door een zwartstaartprairiehond te laten bijten?” „Ik heb ál mijn bloed in de dierentuin laten liggen”, verzekerde Fay haar.

De arts had, evenals wij, nooit eerder van dit beestje gehoord. Een tetanusprik leek haar niet nodig vanwege eerdere vaccinaties bij Fay, maar de vraag was of prairiehonden net als gewone honden ook met rabiës (hondsdolheid) besmet konden zijn. Lastig.

Ze belde met de afdeling Infecties van de GGD. Daar wisten ze het ook niet en ze verwezen haar naar een arts van Artis. We moesten een uurtje op het antwoord wachten en gingen een ijsje halen in een ziekenhuis dat uitgestorven leek, alsof er in ziekenhuizen al niet genoeg gestorven wordt.

„Goed nieuws!” riep de huisarts ons toe toen we ons weer meldden, „ik hoef geen prik te geven.” Prairiehonden hadden met gewone honden niets gemeen, wel kon hun speeksel ongezellige bacteriën bevatten, zodat Fay vijf dagen lang een antibioticum moest slikken. Ze had het er voor over, als ze maar niet hoefde dood te gaan.