Opinie

Het profiel van de terrorist bestaat niet

Het is te eenvoudig om de verklaring voor terrorisme alleen te zoeken in het wahabisme en de invloed van Saoedi-Arabië, schrijft Paul Aarts.

Islamitische pelgrims bidden bij de Grote Moskee in Mekka, Saoedi-Arabië. Foto Karim Sahib/AFP

Het is vaste prik. Zodra analisten en commentatoren na de zoveelste terroristische aanslag duiding geven aan de motieven van de daders buitelen de meningen over elkaar heen. Elke expert lijkt zijn eigen stokpaardje te berijden. Er wordt een breed scala aan factoren opgelepeld – de lezer, luisteraar of kijker meestal in verwarring achterlatend. Dat is overigens niet zo gek als we ons realiseren dat het hedendaagse terrorisme – zeker de aanslagen op Europese bodem – een complex fenomeen is. De betere terrorisme-experts worden dan ook niet moe om te herhalen dat er geen profiel van ‘de’ terrorist bestaat.

Binnen die brede waaier aan meningen is er opvallend genoeg wél consensus over de verderfelijke invloed van Saoedi-Arabië en het wahabisme. Daar komt het kwaad vandaan, zo wordt gezegd. Het komt in vrijwel alle analyses terug. Recentelijk leverde Rubén Amón van de Spaanse krant El País (Is er wel een remedie tegen terreur?, 21/8) het zoveelste voorbeeld daarvan. Hij signaleert dat terrorisme een deel van ons leven dreigt te worden en dat de enige concrete maatregel – het aanpakken van verspreiders van „de dodelijke leer van het wahabisme” – onhaalbaar is. Ik heb zelden zo’n simplificerend en kortzichtig betoog gelezen. Het suggereert dat als de Saoediërs hun gedrag maar zouden veranderen, de dreiging van terroristisch geweld sterk zou afnemen.

Kiezen ideeën mensen of andersom? Dat laatste lijkt inderdaad het geval

Er is geen twijfel over dat Saoedi-Arabië sinds midden jaren zestig wereldwijd tientallen miljarden dollars heeft besteed aan de verspreiding van wat het regime als de enig ware vorm van islam beschouwt. Ten tijde van de Koude Oorlog hebben westerse staten dat beleid overigens aangemoedigd in de strijd tegen het communisme. Die ‘ware’ vorm van islam, in het land zelf als salafisme en niet als wahabisme aangeduid, is niet slechts strikt monotheïstisch, maar ook ultraorthodox, en vooral intolerant tegenover ‘de ander’ (niet-moslims, maar met name ook shi’ieten). Ook weten we dat vijftien van de negentien kapers achter ‘9/11’ Saoediërs waren en dat het land op Tunesië na de meeste buitenlandse strijders aan het jihadistisch kamp in Syrië en Irak (inclusief de Islamitische Staat) heeft geleverd. De Saoedische overheid moet op dit alles zeker worden aangesproken. Dat gebeurt helaas niet of nauwelijks, ook niet door Den Haag, maar is datzelfde Saoedi-Arabië nou werkelijk zo medeplichtig aan de huidige golf van extremisme en jihadistisch geweld?

Voor de ‘kick’

Saoedi-Arabië exporteert zijn puriteinse vorm van islam, maar dat is niet hetzelfde als de ‘export van jihadisme’. De meeste jihadisten ontlenen hun extreem antiwesterse (en gewelddadige) ideeën dan ook niet aan Saoedische geestelijken, maar aan figuren als Sayyid Qutb uit Egypte of Aba A’la Maududi uit Pakistan – of ze hebben überhaupt nauwelijks religieuze kennis en gaan voor de ‘kick’ (zoals uit menige studie blijkt). Net zo belangrijk is het om erop te wijzen dat sinds het succes van de ‘vrijheidsstrijders’ in Afghanistan de jihadistische islam aan kracht gewonnen heeft en losgezongen is van zijn oorspronkelijke broodheren. Het Saoedische koningshuis is sindsdien de controle grotendeels kwijtgeraakt. Sterker nog, de familie Saoed staat hoog op de hitlist van groeperingen als Al-Qaeda en IS.

Kijken we naar de golf van aanslagen in Europa (van ‘Brussel’ tot ‘Barcelona’), dan is er nauwelijks een direct verband te vinden tussen de daders en de „export van het wahabisme”. Veelal was er sprake van een criminele achtergrond, oppervlakkige kennis van de islam en lang niet elke terrorist was een frequent bezoeker van een moskee. Voor zover er wel sprake is geweest van beïnvloeding door extremistische ideeën van Saoedische imams – en die gevallen zijn er – vormen ze „een deel van de cocktail [van factoren]”, zoals de Belgisch-Marokkaanse onderzoekster Hind Fraihi constateert. Zij ging ondergronds in de Brusselse wijk Molenbeek, maakte kennis met diverse soorten imams, maar is genuanceerder in haar oordeel dan menig expert of commentator.

In het algemeen kun je je afvragen of islamitisch radicalisme een aanbodgedreven of eerder een vraaggedreven fenomeen is. Met andere woorden: kiezen ideeën mensen of andersom? Dat laatste lijkt inderdaad het geval. Het brede scala aan mogelijke factoren die mensen ontevreden maken met hun omgeving en met zichzelf geeft meestal de doorslag. De zoektocht naar ideeën om daar ‘iets aan te doen’ komt daarna.

Dat ‘iets’ kan variëren van een vlucht in religieuze piëteit tot het plegen van een terroristische aanslag. In dat laatste geval is er alleen al op internet voldoende materiaal beschikbaar – eerder afkomstig uit jihadistische dan wahabitische bron. De pavlovreactie om na elke aanslag naar het wahabisme te wijzen, leidt af van de vraag hoe het toch komt dat het radicalisme onder bepaalde groepen jongeren in Europa zo’n persistent fenomeen is.