Column

De Parade

Marcel

In een vorig leven kon je me er met geen stok heen slaan, maar twee kinderen later gingen we toch echt op zaterdagmiddag naar het rondreizende theaterfestival voor de stadsmens: de Parade. Achter de kassa, een echt theatermens. Zo eentje met een heel gekke bril op, zodat je meteen weet dat ze d’r lolbroek aan heeft. Ze trok rare gezichten naar onze oudste van twee, die van angst achter mijn been kroop.

We betraden het terrein, een zanderige vlakte vol tentjes, theatertjes en vriendelijk ogende terrasjes. De gedachte die me bekroop was dat we er als land goed voor stonden. Tenminste de witte elite met hun prinsjes en prinsesjes. Iedereen deed enorm sociaal, was vrolijk en bereid te betalen voor alles. Wij ook.

De theatermensen die we zagen maakten helemaal een blije, uitgelaten indruk. Dat snapte ik wel: het maakte helemaal niet uit wat of ze in hun tenten deden, alles met het woord ‘kind’ erin raakte toch wel uitverkocht.

Voor de antieke zweefmolen stond een rij van zestig meter.

Ik vond mezelf terug in een rij voor de kooi waarin hele gezinnen met een koptelefoon op het hoofd heel raar stonden te dansen onder regie van een man die de ledematen vrolijk liet wapperen. We stapten eruit nadat een verklede vrouw ons in een gespeeld dialect uit het oosten ging aanspreken of we al zin hadden om gek te gaan doen. Ik kom uit dat gebied, als je daar zo praat slaan ze je er terecht voor op je kop.

Veel spijt hadden we niet, want toen we even later dan eindelijk op het aanpalende terrasje zaten hebben we ons wel een kwartier geamuseerd om al die andere ouders die heel ingewikkeld lol stonden te hebben.

De meeste mensen kwamen helemaal niet voor het theater. Ze zaten er voor het sfeertje. Om ons heen andere mensen met jonge kinderen, waarvan de vaders tegen beter weten in biertjes bleven bestellen. Overal kropen kinderen, die van ons zat op het pad steentjes op een rij te leggen, totale schijt aan de gekkigheid om haar heen. Een man met een baard bukte om haar omstandig te complimenteren.

„Wauw!”

Twee witbier later werd haar kunstwerkje dan toch vertrapt door een zwijgende stoet theatermakers in zwarte kleren, wier avondvoorstelling terecht nog niet was uitverkocht. Ze huilde, stortte zich languit op de grond en wees ze daarna woedend na.

Overacting, ik begreep dat wel.