De flaneur heeft zich nog nooit bang laten maken

stad en terreur

Angst en betonblokken bedreigen de ‘walkability’, de bewandelbaarheid van Europese promenades en boulevards, wordt gezegd. Zou het echt?

Wandelen is een activiteit, flaneren een state of mind. Gustave Caillebotte: Rue de Paris, temps de pluie, 1877, olieverf.

‘Promenade’ is geen Nederlandse woord. Het begrip ‘flaneren’ is ook niet op het Lange Voorhout uitgevonden. De flâneur is in Parijs geboren. Al kunnen ze er in Italië en Spanje ook wat van. En dat flaneren, zo moest nota bene een Britse krant vorige week na de aanslag in Barcelona vaststellen, komt in de verdrukking. „De dreiging van een ophanden zijnde aanslag brengt deze traditie van wandelend openluchtkosmopolitisme in gevaar”, schreef Andrew Hill in de Financial Times.

Een alarmistisch stukje. De grote plantenbakken op de Ramblas, de hekken langs de boulevard in Nice, betonblokken op Londense bruggen – ze bedreigen de walkability – de bewandelbaarheid – van de typisch Europese promenades en laten zo zien hoe hard terroristen Europa hebben getroffen. „Onschuldige grond is een potentieel slagveld geworden.”

Zonder ‘walkability’ geen flaneurs en flaneuses. Zou het zo zijn?

Is het de stad die de flaneur maakt of maakt de flaneur de stad? Toen de flaneur een begrip werd, ergens in de negentiende eeuw, was hij de anonieme vorst van de straat. Baudelaire beschreef hem als een gepassioneerde, levenslustige toeschouwer, die niet thuis hoeft te zijn om zich, onzichtbaar in de menigte, thuis te voelen. Met het verstrijken van de tijd werd zijn territorium de hele wereld en nieuwe denkers bedachten nieuwe definities, maar de essentie bleef dezelfde. De flaneur laat zich niet door obstakels weerhouden, hij neemt de stad zoals zij zich voor hem uitspreidt. Ook al is de flaneur allang niet meer een man met een hoed. Zie de kortgerokte flaneuses die Ed van der Elsken in 1967 op de Beethovenstraat in Amsterdam fotografeerde, in een jungle van auto’s en fietsen. Zelfs de Libanese jongeren die met spiegelbrillen in 2006 in hun Mini Cooper cabrio door de puinhopen van Beiroet reden, werden gezien als flaneurs. Waarmee je trouwens ook kunt zeggen: wat een flaneur is, is in the eye of the beholder.

Zelfs de fotograaf is een subcategorie. Zoals Susan Sontag schreef: de fotograaf is een gewapende versie van de flaneur, de voyeuristische stroller die de stad ontdekt als een landschap van wellustige extremen.

Als het flaneren, de walkability, het wandelende openluchtkosmopolitisme zich door obstakels zou laten inperken, zou er geen flaneur meer zijn. Het onbekommerd slenteren wordt misschien bedreigd op de Ramblas, maar ook op het Damrak, de Boulevard Saint-Michel. Niet alleen betonblokken, maar ook toeristenhordes, grote vuilnisbakken en kaartenrekken, uitdijende terrassen kun je als vijanden van de flaneur zien.

Plantenbakken en betonblokken verjagen de flaneur pas als ze als symbolen van angst in de hoofden kruipen. De flaneur van Baudelaire, ‘de botanist van het trottoir’, was geen bange man, en de flaneur is dwars door oorlogen en rampen heen niet bang geworden. In Parijs wordt ook na de aanslagen van 2015 en de zichtbare aanwezigheid van militairen op boulevards en promenades nog steeds geflaneerd, misschien wel overtuigender dan ervoor.

Wandelen is een activiteit, flaneren is een state of mind. Zolang er steden en straten zijn, zijn er flaneurs.