Column

Voor kritiek op onze bioindustrie heb je de Holocaust niet nodig

Afgelopen week schreef Roos Vonk, hoogleraar in de sociale psychologie, zonder blikken of blozen een stuk waarin ze de behandeling van dieren in de veehouderij vergeleek met de manier waarop Joden werden vermoord in de concentratiekampen of de manier waarop slaven werden gehouden. Niet alleen weerzinwekkend, ook wel verontrustend om dit van een academicus te horen. Als zelfs hoogleraren niet meer in staat zijn om nauwkeurig aan te geven in welke mate ze iets moreel verwerpelijk vinden en alleen nog heel hard „HOLOCAUST” kunnen roepen omdat dat nu eenmaal het enige moreel verwerpelijke is dat ze kunnen verzinnen, dan zijn we ver heen.

Het onvermijdelijke gevolg van zo’n losse flodder is dat er een eveneens weerzinwekkende discussie losbarstte of die metafoor nou wel of niet gepast was. Of de vergelijking van slaven en Joden met dieren op zijn plaats is, en de vergelijking tussen veehouders en de gruwelijkste oorlogsmisdadigers uit de geschiedenis van de mensheid wel of niet terecht.

Joden en zwarte mensen zijn al tamelijk murw gebeukt door allerlei verschillende vormen van haat, die protesteren niet eens zo luid meer. En die andere groep, de veehouders, die wonen vaak zo afgelegen dat je ze probleemloos in de krant de afschuwelijkste beschuldigingen naar de kop kan slingeren. De kans is klein dat je die dit weekend op een verjaardagsfeestje te woord hoeft te staan.

Juist in het gesprek over de megastallen is het belangrijk dat we iets meer variatie in ons metaforenarsenaal aanbrengen dan krachttermen als ‘holocaust’ en ‘slavernij’. Juist omdat het niet zwartwit is. De meesten van ons vinden het wel degelijk moreel acceptabel om de vrijheid van een paar dieren te beperken: hen achter een hek te zetten, hun kalfjes weg te voeren en hen te slachten voor het vlees.

Pas wanneer het om 100.000 leghennen gaat, 7.500 vleesvarkens, een miljoenen dieren per dag naar het slachthuis in dit land, dan pas wordt het ongemakkelijk. Juist de schaal van de bio-industrie, het afstandelijke, het massale en het industriële is wat de meesten tegen de borst stuit.

Een belangrijke vraag is of het de dieren zelf veel uitmaakt of ze in een stal zitten met honderd anderen of tienduizend anderen. Heel veel dierenwelzijnskwesties zijn stiekem projectie van mensen. Het maakt kippen niet uit of ze de naam Stella of Sientje of nummer 138035 dragen, het maakt ons uit. Het maakt koeien niet uit of ze door een liefdevolle hand worden gemolken of door een robot. Misschien hebben ze zelfs wel voorkeur voor de robot. Die robot zorgt ervoor dat de dames zelf kunnen bepalen wanneer, hoe vaak en hoe lang ze gemolken worden.

Juist op grotere bedrijven is meer ruimte om luchtkwaliteit te verbeteren, ongelukken te voorkomen, het aantal en de duur van transportmomenten te minimaliseren. Het lijkt erop dat die mogelijkheden té weinig worden benut, ook als het gaat om milieu en gezondheid in de omgeving. Alleen al het probleem met de brandveiligheid, en al die honderdduizenden die daardoor jaarlijks een gruwelijke dood vinden, is een groot argument tegen grootschalige veehouderij.

Maar de crux van dit verhaal is dat je al die data over leefomgevingseffecten, milieustudies en dierenwelzijnsrapportages niet nodig hebt om tegen grootschalige veehouderij te zijn. Zelfs als de dieren er weinig last van ondervinden, kan het goede reden zijn om er toch mee op te houden als de mens er ethisch gezien last van heeft. Je kunt gewoon zeggen: ik vind het verwerpelijk om dieren op zulke grote schaal te houden. Of probeer eens: ik vind dat de veestapel veel kleiner moet in Nederland. Of: ik vind dat vlees in prijs en beschikbaarheid een exclusieve zeldzame verwennerij moet worden. Dat mag, dat is een legitieme mening.

Daar heb je geen holocaust of slavernijvergelijking nodig. Liever niet zelfs. De ultieme consequentie van die vergelijking is namelijk dat de veehouderij met wortel en tak moet worden uitgeroeid en iedereen die dieren houdt, groot- of kleinschalig, voor zijn misdaden berecht moet worden. Een beetje genocide of een beetje slavernij is namelijk ook niet acceptabel.

Weet u, tussen alle krachttermen door verdienen onze landbouwers en veehouders deze beschuldigingen niet, ze verdienen een steuntje in de rug. Er is bijna geen industrie die strenger gereguleerd wordt. Bijna geen onderneming waar zo hard wordt gewerkt voor zo weinig winst. Bijna geen beroepsgroep die zo zwart wordt gemaakt, en tegelijkertijd zo ontzettend onmisbaar is.

Rosanne Hertzberger is microbioloog.