Column

Komt allen tot het Beeld

Hoe begint een televisierecensent? Ik zette eerst maar eens mijn computer aan. Daar vond ik drie minuten Nederlandse televisiegeschiedenis. Een nieuwslezerachtige man met een zwarte bril die nog van Roy Orbison geweest kon zijn: „Er heerst een grote vreze dat de mensen steeds minder gelovig zouden zijn. Maar die vrees, lieve broeders en zusters, is ongegrond. Want er is een nieuwe oecumenische religie die allen, gelovigen en ongelovigen, heeft bekeerd tot een nieuw intens geloof. De gelovigen van deze religie belijden hun eredienst in miljoenen kerken en kapellen, in de grote en in de kleine steden, in de rijke en in de arme buurten, overal waar de zending komt. En de zending reikt verre. Van alle kerken en kapellen wenkt blijmoedig, verkondigend het kruis.”

Bij het woord kruis verschenen televisie-antennes in beeld en waren enkele gegeneerde grinniks in het publiek te horen. Want dit kon maar op één manier uitgelegd worden: blasfemie! Intussen sprak de man met de bril onverstoorbaar door: „ Want het Beeld is tot de mens gekomen en heeft de mens gevormd naar zijn evenbeeld […] in den beginne was er het Beeld en het Beeld was goed en het Beeld is goed. Komt allen tot het Beeld die belast en beladen zijn want het Beeld zal u rust geven.”

Niet dat deze beelden de makers rust gaven, nadat ‘Beeldreligie’ – zo heet het item in het satirische programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer – in januari 1964 was uitgezonden. Vooral de beroemdste medewerker, Mies Bouwman, kreeg het zwaar te verduren. Niet dat ze een rol had in Beeldreligie (de tekst was van Dimitri Frenkel Frank en werd voorgelezen door Peter Lohr), maar ze was direct na het item met een brede lach in beeld verschenen. Dat die stralende lach hoorde bij een volgende sketch deed er niet toe: de familie Bouwman moest worden beveiligd.

Ruim twaalf jaar na de eerste uitzendingen was duidelijk: televisie was niet alleen een machine voor informatie en amusement, maar een kracht in zichzelf: een monster dat niet zomaar te controleren was, juist omdat iedereen zo gefascineerd naar het Beeld staarde.

Hoe staat de beeldreligie er 53 jaar later voor? Overzichtelijker is het er niet op geworden. Het monotheïsme van één televisiezender is vervangen door een pantheon waarin de verschillende goden vechten om elk zieltje. We kunnen kiezen wie we aanbidden: de blonde oppergodin Jinek, het anarchistisch priestercollectief Utopia, de voorgangers die meel weliswaar niet in het lichaam van Christus veranderen, maar wel in taart (Heel Holland Bakt). Televisie is een bedrijfstak waarin duizenden mensen hun best doen om ons onze dagelijkse uitzending te geven.

Vervolgens mokken wij. Over de programma’s, die altijd te vulgair of te elitair zijn, te traag of te kort, te Geer of te Goor, te links of te rechts. Er is altijd te veel sport, behalve als Nederland wint. Of als Mies Bouwman nog een keer op televisie verschijnt natuurlijk. Bij het klagen over televisie hoort inmiddels ook dat het medium zijn langste tijd heeft gehad. Jongeren kiezen voor apparaten die hun bevelen sneller en directer opvolgen – zoals hun smartphone. Er kijken minder mensen televisie.

Wat bezielt een mens dan om eind 2017 te beginnen als televisiecriticus? Een stille hang naar stervensbegeleiding? Wat dat betreft is het misschien een voordeel dat ik de afgelopen vijftien jaar heb besteed aan het recenseren van romans – de kunstvorm die al honderd jaar wordt doodverklaard, maar hardnekkig weigert te verdwijnen. Al hoef je de boekenwereld maar een beetje te kennen om te weten hoe relevant de televisie is als je bijvoorbeeld een boek wilt verkopen. En wie weleens op een verloren zondagavond de trending topics van het moderne massamedium Twitter bekijkt, ontkomt niet aan de indruk dat het enige wat Nederland bezighoudt, #zml, #bzv of #zg17 is. „Wees met ons, o beeld, want wij weten niet wat wij zonder u zouden moeten doen.”

Maar het gaat uiteindelijk niet om de cijfers – het gaat om de beelden en de woorden. De miljoenen kijkers maken het medium misschien relevant, maar het zijn andere dingen die het interessant maken. Zoals Beeldreligie niet alleen belangrijk is om het schandaal, maar vooral omdat het zo goed is. Woord na woord, beeld na beeld. En geweldige televisie wordt nog steeds gemaakt, al moet je misschien wat langer schatzoeken. Ik zie de televisiecriticus als een ontdekkingsreiziger die met nooit aflatende nieuwsgierigheid op zoek gaat naar wat hij via die beeldenmachine over de wereld te weten kan komen. En die trouw is aan een van de geboden die Peter Lohr al in 1964 uitsprak: „Gij zult de knop geenszins omdraaien, want dit is het Beeld een gruwel.”

Arjen Fortuin begint volgende week als televisiecriticus voor deze krant