Cultuur

Interview

Interview

Foto's Frank Ruiter

Zwemmer Maarten van der Weijden: ‘Was ik niet ziek geworden, dan had ik de top niet bereikt’

Lunchinterview Oud-kampioen Maarten van der Weijden zwemt extreme afstanden. „Ik heb het zo veel gedaan, dat zwemmen deel is geworden van mijn identiteit.”

In mei dit jaar zwom Maarten van der Weijden vierentwintig uur aan één stuk (99,5 kilometer). In juni zwom-ie van Amsterdam naar Rotterdam (80 kilometer). Vorige week stak hij het kanaal over van Dover naar Calais (51 kilometer), én terug. En nu heeft hij bedacht dat hij volgend jaar de Elfstedentocht wil zwemmen. Tweehonderd kilometer. Hij denkt er twee, drie dagen (en nachten) voor nodig te hebben. Misschien dat hij onderweg op een luchtbedje even moet slapen, maar het liefst doet hij de tocht non-stop. Als het hem lukt, is hij de eerste en de enige die zo lang en zo ver kan zwemmen.

Best veel kilometers voor iemand die in 2008 aankondigde te stoppen als zwemmer. Hij doet het ook niet omdat hij dat zwemmen nou per se zo leuk vindt. Het is meer dat hij het nou eenmaal goed kan.

Ik heb anderhalf keer de wereld rondgezwommen

In z’n leven heeft hij zeker anderhalf keer de wereld rondgezwommen. „Ik heb het zo veel gedaan, dat zwemmen deel is geworden van mijn identiteit. Zwemmen is wie ik ben.” En dat is niet alleen voor hem zo, maar ook voor ons. Want noem maar eens een naam van een bekende Nederlandse zwemmer. Aan wie denk je dan? Vast aan Marcel Wouda. Pieter van den Hoogenband. En wie nog meer? Dikke kans dat je dan niet Ferry Weertman zegt, maar Maarten van der Weijden. Terwijl Weertman dit jaar wereldkampioen openwaterzwemmen werd en vorig jaar Olympisch kampioen. En Maarten van der Weijden negen jaar geleden.

„Mensen zijn meer geïnteresseerd in de sporter met een persoonlijk verhaal, dan in de sporter die wint”, zegt hij. Wij hebben hem onthouden als de sporter die op zijn negentiende acute lymfatische leukemie overwon, en daarna Olympisch goud won. Een wonder. Een held ook, want zoiets was nog nooit iemand gelukt. Nou denkt Maarten van der Weijden helemaal niet in termen van (over)winnen of verliezen. Hij spreekt over geluk en pech. „Ik had 30 tot 50 procent kans te genezen van mijn kanker. Maar wat heb ik gedaan om ervan te herstellen? Ik lag in bed, ik had niet eens de kracht om een half uur rechtop te zitten. Als je zegt dat ik mijn ziekte overwon, noem je de jongens die het niet redden dus verliezers.” Hij schudt van nee met zijn kaalgeschoren hoofd (dat zwemt net ietsje sneller), met twee opvallende deuken erin. Onder zijn hoofdhuid zaten ooit reservoirs met medicatie om de kankercellen in zijn hersenvocht te bestrijden. „Ik heb niet gewonnen, ik heb geluk gehad.”

NRC-medewerker Menno Steketee (1963-2015) schreef een indrukwekkend stuk over zijn diagnose uitgezaaide darmkanker

Dat half jaar in het ziekenhuis had hij alle tijd om na te denken. Over zichzelf, zijn toekomst en de rol die topsport daarin zou spelen. Zwemmen deed hij al vanaf zijn zevende. Bij toeval was zijn talent ontdekt. „Ik was een lui kind, alle sporten vond ik stom. Mijn zus zwom. Ik zwom harder dan zij. Dát vond ik leuk.” Op z’n negentiende was hij al aardig op weg een zwemkampioen te worden. „Hoe wordt iemand een topsporter? Je bent jong en je kunt iets goed. Je wint een prijs, je ouders zijn trots. Dus blijf je doorgaan. Topsport is een volwassen keuze, die genomen moet worden als je er zelf nog veel te jong voor bent. Ouders, trainers, coaches nemen dat besluit.” Het levert, zegt hij, extreem volgzame topsporters op, die blijven doen waar ze goed in zijn omdat dat nou eenmaal makkelijker is dan stoppen.

Lamlendigheid

Wat vast mee heeft geholpen is dat hij erop gebouwd lijkt om heel hard te kunnen zwemmen. Wel lang, niet uitzonderlijk breed of gespierd, maar juist vrij rank. Die 2,02 meter van hem valt op, als hij de Harbour Club in Rotterdam binnenloopt. Je ziet de andere gasten hun geheugen afgraven. Wélke bekende zwemmer is deze lange, kale man ook alweer. We gaan zitten aan een tafel met uitzicht op het park en bestellen ongezien het lunchmenu. Hij besmeert de broodjes afwisselend met boter en tapenade en stapelt die hulpvaardig op mijn bord. Natuurlijk, zegt hij, is er nog een tweede type topsporter. „Die is wat zeldzamer.” Het is de sporter die van jongs af aan extreem op eigen wil en kracht opereert. Maar hij is dus type één? Hij knikt. „Dat was ik.” Door zijn ziekte wérd hij type twee. Daar moest hij twee besluiten voor nemen. Eén: stoppen met zwemmen. En twee: weer gaan zwemmen. En dat niet één, maar twee keer.

De eerste keer dat hij besloot met zwemmen te stoppen, lag hij nog in het ziekenhuis. „Ik dacht: hoe leuk vind ik het eigenlijk om elke dag vier, vijf uur baantjes te trekken in een zwembad? Dat is namelijk best saai.” Eenmaal uit het ziekenhuis ging hij weer bij zijn ouders wonen in Alkmaar om verder te herstellen. Dat hij na een paar weken toch weer in een zwembad lag, kwam voornamelijk door zijn ouders die, volgens hem, moedeloos werden van zijn lamlendigheid en hem smeekten ‘iets’ te gaan doen. Desnoods zwemmen. „Met tegenzin deed ik honderd meter. Daarna nog een baantje. Toch even kijken hoe lang ik erover deed en of het ook harder kon.”

Want dat had hij wel uitgedokterd op zijn ziekbed, het was niet het zwemmen zelf dat hem trok, maar een doel stellen en dat halen, of liever nog, verbeteren. „Het heeft twee jaar geduurd voor ik weer op mijn oude tijden zat van voor mijn ziekte.” Hij was weer topsporter. „Was ik niet ziek geworden, dan had ik misschien nooit de top bereikt. Dan had het me ontbroken aan motivatie.”

In een bubbel

Naast zijn bouw en zijn lengte is zijn longinhoud van twaalf liter, in plaats van de gemiddelde zes, een voordeel bij het zwemmen. Daardoor ligt hij hoger in het water en heeft hij minder weerstand van het water. Hoe efficiënter het zuurstofstransport in zijn bloed, hoe meer voordeel. Dus sliep hij in een hoogtetent waar de lucht hetzelfde is als op vierduizend meter hoogte. Het lichaam maakt dan meer rode bloedlichaampjes aan, waardoor het bloed meer zuurstof opneemt. Toen bleek dat vijftien uur in zo’n tent beter was dan twaalf, ging hij ook overdag de tent in. Niet saai? „Nee hoor, ik ben vrij lui.” De relatie met zijn vriendin – nu zijn echtgenote – ging uit, want zij vond die tent wél irritant. Beetje eng ook, vraag ik. Hij was tenslotte net hersteld van bloedkanker. „Ik heb mijn behandelend artsen gevraagd of het verantwoord was. Die vonden dat een lastige vraag. Maar ze waren er vrij zeker van dat het geen kwaad kon.”

En toen won hij. Eerst goud op het WK, daarna weer goud op de Olympische Spelen. Hij werd uitgeroepen tot sportman van het jaar 2008. Tegen ieders verwachting in maakte hij toen bekend dat hij met zwemmen zou stoppen. Weer. „Doorgaan was makkelijker geweest. Je wordt een koker ingezogen van meer, harder, sneller. Je zit in een bubbel met metgezellen en vertelt elkaar dat het gaaf is wat je doet. Je leeft een egoïstisch bestaan en krijgt er nog applaus voor ook.” Het punt was, hij had er nooit op gerekend dat hij zoveel zou winnen. „Iedereen denkt dat winnen een verdienste is. Dat de psychisch en fysiek sterkere wint. Maar winnen is een kwestie van geluk. Ik had het hele jaar zitten bedenken wat ik zou gaan doen als ik het podium niet zou halen. Nog eens vier jaar zoveel tijd en energie steken in dat zwemmen leek me niet verantwoord. In mijn hoofd had ik al besloten te stoppen. Maar ik won. Dus moest ik door.” Hij liet zijn huis verbouwen tot één grote hoogtetent. „Tot ik me afvroeg: wil ik wel door?”

Doel en middel tegelijk

Groot voordeel: het zwarte gat dat topsporters vrezen na hun carrière boezemde hem geen angst in. Dat gat kende hij al, van toen hij ziek was. Een jaar of vijf heeft hij helemaal niet meer gezwommen. En nee, hij miste het totaal niet. „Ik sta aan of uit. En als ik uitsta, word ik niet onrustig ofzo. Ik heb sport niet nodig.” Voor de lol is hij wel wat gaan hardlopen. „Maar dat ging me toch lang-zaam.” Over de marathon van New York deed hij vier en een half uur, werd hij halverwege ingehaald door „een obese vijftigplusser”.

In die vijf jaar had hij ook een ‘gewone’ baan. Hij was de financiële man bij Unilever, afdeling was- en schoonmaakmiddelen. Vond hij „hartstikke leuk”, hij maakte een prima carrière, er wachtte hem zelfs overplaatsing naar Londen of Jakarta. Maar in 2015 besloot hij toch weer te gaan zwemmen. Zijn laatst gewonnen wedstrijd mocht dan al jaren achter hem liggen, zijn bekendheid was onverminderd. „De vraag naar mijn verhaal bleef.”

Hij is de twee hoofdlijnen uit zijn levensverhaal – zwemmen en kanker – gaan combineren. Zwemmen is nu doel en middel tegelijk. Om zoveel mogelijk bekendheid en geld te genereren voor kankeronderzoek, bedenkt hij steeds uitzinniger uitdagingen – 24 uur zwemmen, op en neer naar Engeland, de Elfstedentocht. Want zonder extreme prikkel blijft hij liever lui.

Maar om zo buitensporig veel te zwemmen, moet hij het toch wel een heel klein beetje leuk vinden? Hij vindt het, zegt hij, een soort van leuk. „Soms is mijn hoofd een chaos. Als ik dan een paar uur zwem, ploft alles op de goede plek. Dan worden dingen duidelijk.” En weer een paar zwemuren verder komt er een rust over hem. Een geconcentreerde trance. „Dan ben ik terug bij wie ik ben.”