Opinie

Islamitisch Azië pikt de extremist er zo uit

De laatste terreuraanslagen in Europa – in Barcelona en Finland – worden ook hier in Zuidoost-Azië nauwlettend gevolgd. De Singaporese regeringskrant The Straits Times wijt de golf aan de wanhoop van radicalen door het instorten van het „moorddadige rijk van IS”. De Singaporezen begrijpen niet dat de Europese steden zo talmen met de beveiliging van voetgangerszones. Natuurlijk offer je wat burgerlijke vrijheden op, als terroristen die tot onderdeel van hun repertoire maken.

Niet dat de regio zelf geen problemen heeft. In de Filippijnen – het overgrote deel van de 100 miljoen inwoners daar is katholiek – namen duizend jihadi’s eind mei de stad Marawi in en riepen ze die uit tot „provincie” van IS; er vielen honderden doden en de bevolking vluchtte. Na maanden terugvechten door de regering is het openbare leven er hervat – deze week heropende de universiteit – maar de laatste strijders zitten er nog verschanst.

In Indonesië, waar meer moslims wonen dan in enig ander land, werd deze week eindelijk de radicale imam aangeklaagd die het brein was van de aanslag in Jakarta waarbij begin 2016 vier doden vielen. Er zijn wel radicale groepjes – met voet aan de grond in het al in koloniale tijden onrustige Atjeh – maar het aantal Indonesiërs dat naar het IS-kalifaat afreisde (een luttele zeshonderd jihadi’s op 200 miljoen moslims) verbleekt relatief bij dat cijfer voor Nederland of België. Volgens de Singaporese intellectueel Kishore Mahbubani is Zuidoost-Azië, waar behalve Indonesië ook Maleisië en het kleine Brunei in meerderheid islamitisch zijn, een voorbeeld voor de Arabische wereld. Ze bewijzen dat moslimlanden zich economisch en, wat betreft Indonesië, politiek succesvol kunnen ontwikkelen, en dat bevolkingsgroepen er vreedzaam kunnen samenleven.

Ook hier komt de dreiging van buiten: uit Saoedi-Arabië. Zoals de Saoedi’s al veertig jaar miljarden in Pakistaanse moskeeën en madrassa’s pompen en radicaal salafisme exporteren, zo doen ze dat ook in Maleisië en andere landen in de regio. Terwijl Indonesië, een land met een sterk cultureel zelfbewustzijn, zich niet laat afbluffen door Saoedische predikers, krijgen ze bij de timide Maleisiërs wel een voet tussen de deur met verhalen over de „echte” Arabische islam. Het zit in kleine dingen. Als onderdeel van het Maleisische huwelijk ontvangen bruid en bruidegom hun gasten op een dais, een sjiek bankje. Arabische imams belasteren dit gebruik als „hindoe-invloed” en beweren dat de Arabische dracht superieur is aan de lokale. Singapore, met 15 procent etnische Maleisiërs, is beducht voor deze infiltratie. „Extremisten weten dat ze het vertrouwen in onze eigen identiteit en cultuur moeten ondermijnen, voor ze het door hun eigen kunnen vervangen”, zei een Singaporese minister onlangs. „We moeten waken voor deze arglistige praktijk en onze tolerante islamopvatting beschermen.”

In ons Europese zelfbeeld komt alle islam van buiten; de religie is geen natuurlijk onderdeel van onze samenleving. Zo duurde het veel te lang voor we de bewegingen binnen de islamitische wereld zagen en de perfide rol van het salafisme erkenden. Ja, we weten het wel, zeker sinds ‘9/11’, van de Saoedische oliedollars en Pakistaanse madrassa’s, maar dit besef dringt niet door tot de sfeer van besluit en handeling. We focussen op religieuze debatten en koranlectuur en onderschatten de politieke dimensie – de overlevingsstrijd van het Huis van Saoed, die zich weert tegen seculiere en sji’itische krachten. Waarom laten we de Amerikanen (Trump ingepakt door een zwaarddansje en 100 miljard wapenverkoop) de vrije hand in hun deals met de Saoedi’s? Wij in Europa krijgen de zelfmoordterroristen en vluchtelingen op ons af. Ook dat bezien ze hier met verwondering.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof. Hij verblijft deze maand aan de Lee Kuan Yew School of Public Policy van de Nationale Universiteit van Singapore.