Column

In het Witte Huis van Donald Trump regeren de generaals

Na maanden liet Trump zich ompraten: toch troepen in Afghanistan. Spil in het debat was historicus en generaal Herbert McMaster, schrijft Michel Kerres.

Vrouwen in minirok in de Afghaanse hoofdstad Kabul beginjaren zeventig. Foto Amnesty.com

Waren het de minirokken die het hem deden? Om een aarzelende president Trump ervan te overtuigen dat de oorlog in Afghanistan toch geen volstrekt verloren zaak is, zou Herbert McMaster, adviseur voor nationale veiligheid, hem volgens The Washington Post een zwart-wit foto getoond hebben: jonge vrouwen met korte rokken in het Kabul van 1972. Boodschap: in Afghanistan heersten ooit westerse normen en dat zou in de toekomst weer zo kunnen zijn.

Eigenlijk wilde Trump een einde maken aan een Amerikaanse oorlog die al zestien jaar duurt, een hoge tol heeft geëist in levens en geld, en waarvan veel experts zeggen dat een zege vrijwel onmogelijk is. Waarom zou de America-First-president dáár zijn vingers aan branden?

Na maanden discussie met zijn generaals liet Trump zich ompraten. Spil in dat debat was generaal Herbert McMaster (55). Hij deed ervaring op in de Golfoorlog, in Afghanistan en Irak. De historicus schreef ook een boek over de verloren oorlog van een onhandige president die eigenlijk geen oorlog wilde: het Vietnamdebacle van Lyndon B. Johnson.

In Dereliction of Duty (Plichtsverzuim, 1997) maakt McMaster gehakt van de militaire adviseurs uit de jaren zestig, van de burgeradviseurs, van Johnson én van de manier waarop in het Witte Huis besluiten werden genomen. McMaster spaart niemand.

Het begint ermee dat Johnson de VS in een aantal stappen een oorlog binnen rommelt die hij zelf niet wil. Johnson zei in mei ’64 tegen veiligheidsadviseur Bundy: „Ik maak me hier vreselijke zorgen over. Ik zie niet wat we hier ooit bij kunnen winnen.” Het was de grootste puinhoop die hij ooit had gezien, zei hij. „Het is verdomd makkelijk om in een oorlog te raken, maar het wordt veel moeilijker om je er ooit aan te onttrekken.” De oorlog zou dan nog elf jaar duren.

De besluitvorming was in essentie in handen van Johnson en minister van Defensie McNamara, een technocraat en ex-bestuursvoorzitter van Ford. De nationale veiligheidsraad functioneerde nauwelijks, besluiten namen zij bij voorkeur in kleine kring tijdens de dinsdaglunch. Militair advies hoorden ze liever niet, ze leunden op niet-militaire adviseurs. Om Johnson te beschermen, logen ze bovendien tegen het Congres over de omvang van de missie in Vietnam.

En de generaals? Die maakten zich zorgen, maar hielden hun mond en dekten de leugens af. De VS, schreef McMaster, gingen in Vietnam ten onder aan „arrogantie, zwakte, liegen en najagen van eigenbelang”.

Nu zit McMaster zelf in de inner circle. Hij weet dat ooit iemand een boek zal schrijven over zijn plichtsbesef. En hij weet dus ook hoe belangrijk een open, kritisch en veelstemmig debat in het Witte Huis is.

De kans daarop is nu niet veel groter dan in de jaren zestig. In Johnsons Witte Huis telden de generaals niet mee. In Trumps Witte Huis hebben de generaals de overhand, zeker na het vertrek van adviseur Bannon en de vervanging van stafchef Priebus door oud-generaal Kelly.

Maar wie geeft de generaals straks weerwoord? Trump, met zijn voorliefde voor generaals? Schoonzoon Kushner, die zijn handen vol heeft aan het Midden-Oosten? Minister Tillerson, die zijn State Department nog steeds moet reorganiseren? Pence, de onzichtbare vice-president? Als McMaster de lessen uit zijn boek serieus neemt, zou hij zijn eigen tegenspraak moeten organiseren. Maar in Trumps Witte Huis is het al heel wat waard als vakmensen hun mening durven uiten tegen een onmogelijke president – ook een belangrijke les uit Plichtsverzuim.

Redacteur geopolitiek Michel Kerres en Oost-Europa-deskundige Hubert Smeets schrijven afwisselend over de kantelende wereldorde.