Interview

‘Ik was vooral woedend’

Valeria Luiselli schreef met Vertel me het einde nu een sterk politiek getint essay. Over de crisis van Midden-Amerikaanse kinderen die naar de VS emigreerden. „Niet alles rondom deze crisis was een neerwaartse spiraal.”

Foto Karoly Effenberger / Hollandse Hoogte

Tegen het einde van haar nieuwe politieke essay Vertel me het einde schrijft Valeria Luiselli dat ze zeker wist dat ‘als ik juist dit verhaal niet zou opschrijven, het geen zin had om ooit nog iets anders te schrijven’.

‘Dit verhaal’ is het verhaal van duizenden Midden-Amerikaanse kinderen die de grens van de Verenigde Staten oversteken en terechtkomen in de molen van Amerikaanse immigratierecht. Verhalen over een helletocht, verhalen over de ongewisse aankomst op de onbestemde bestemming – horrorverhalen die Luiselli ook illustreert met ontstellende getallen. Zoals het aantal verkrachtingen: naar schatting is 80 procent van de vrouwen en meisjes daar het slachtoffer van, onderweg naar de grens. En het aantal verdwijningen: naar schatting 120.000 migranten sinds 2006. Het aantal kinderen: jaarlijks steken er tienduizenden kinderen de grens over, een groeiend aantal, waardoor in 2014 een crisissituatie ontstond.

Ik heb nooit iets geschreven met dit gevoel van urgentie

Zulke kinderen met zulke verhalen leerde Luiselli kennen toen ze in het voorjaar van 2015 aan de slag ging als vertaler en tolk voor een New Yorkse immigratierechtbank. Vrijwilligerswerk. Niet met de bedoeling om erover te schrijven, zegt ze, aan een tafeltje in een ouderwetse deli in de Upper West Side van Manhattan, om de hoek bij de school van haar dochter. „Mijn redacteur drong er een jaar lang op aan dat ik hierover schreef, maar ik bleef maar aarzelen.”

Dat ze als tolk ging werken had een fundamentele reden: haar eigen afkomst. „Ik worstelde al een tijdje met gezeik rond mijn eigen green card, en ik was getuige van een humanitaire crisis die de kinderen van mijn gemeenschap trof.” Luiselli (1983) is geboren in Mexico-Stad, woont al jaren in New York en was in 2015 voor de Amerikaanse immigratiewetten nog een ‘nonresident alien’. Zoals haar vertalers in Vertel me het einde schrijven: ‘letterlijk “aliens zonder verblijf” en correct vertaald “buitenlanders zonder permanente verblijfsvergunning”’.

Luiselli: „Als buitenlander voel je je toch vooral verbonden met de mensen die jouw culturele achtergrond delen. En hoewel de Hispanics al heel lang in de Verenigde Staten zijn, wordt ons in de verhalen over de ontstaansgeschiedenis van dit land niet de ruimte gegeven die we daadwerkelijk innemen. We worden als buitenlanders gezien. Daarom reageerden veel Hispanics hetzelfde als ik op de kinderimmigratiecrisis. Ze raakten erbij betrokken.”

Over wat ze meemaakte en hoorde schreef Luiselli uiteindelijk dit essay. „Ik heb nooit iets geschreven met dit gevoel van urgentie.”

Maar eerst moest ze, zegt ze, twee hordes nemen: ze had een gebrek aan kennis en een gebrek aan helderheid. „Ik schrijf geen boeken over wat ik al weet, ik wil iets nieuws ontdekken. En in dit geval had ik nog een verantwoordelijkheid, namelijk om te informeren over een heel gevoelige kwestie, dus ik moest mezelf documenteren. Zolang ik dat niet had gedaan, overwoog ik niet om erover te schrijven. En ik had nog geen emotionele helderheid, ik was één brok woede.”

Eerder schreef ze twee romans – hier verschenen als De gewichtlozen (2014) en De geschiedenis van mijn tanden (2015) – nadat ze was gedebuteerd met een veelgeprezen essaybundel, Valse papieren (2012). In vergelijking is Vertel me het einde opvallend politiek en uitgesproken, voor de kwikzilverige auteur die uit haar eerdere werk naar voren kwam. Een schrijver die met haar lucide, essayistische manier van kijken, denken en schrijven een volstrekt eigen stijl ontwikkelde. Een schrijver die zich niet in hokjes laat stoppen of laat inperken: haar gedachten zijn zoekend, gefragmenteerd, en verkondigen zelden één simpele waarheid, maar stellen des te prangender vragen.

De structuur van Vertel me het einde volgt de veertig vragen van het Amerikaanse asielformulier dat een Midden-Amerikaans kind (met tolk) voor zijn neus krijgt. Dat blijkt een licht ironische, want paradoxale vorm: de formulieren die de vluchtverhalen moeten structureren, zijn nauwelijks bruikbaar om het volledige verhaal vast te leggen, de verhalen stromen over de randen. „Ik wilde iets maken dat een röntgenfoto van het immigratiesysteem was, een breder historisch panorama van wat er op het westelijk halfrond gebeurt en inzicht geven in de levens van de kinderen door een paar persoonlijke verhalen te vertellen. De veertig vragen gaven me een heldere ingang in het immigratiesysteem.”

Het systeem faalt, is de algehele ondertoon van Vertel me het einde: de kinderen laten zich met goede hoop inrekenen door de grenspolitie – maar ze worden ‘eerder als dragers van ziektekiemen behandeld dan als kinderen’. En de crisis leidde tot een wet waardoor asielaanvragen veel sneller behandeld worden – met als noodlottig gevolg dat kinderen en advocaten veel minder tijd hebben om de verdediging voor te bereiden. En veel liberale Amerikanen houden er een ‘zelfgekozen onwetendheid’ op na over deze immigrantenkinderen.

Begaf je je voor dit boek als schrijver op heel ander terrein dan voorheen?

„Nee, helemaal niet. Het is veel meer een openlijk politiek boek, maar ik schrijf altijd over verplaatsing, vertaling, buitenlanderschap, ballingschap, exodus. De invalshoek en de perspectieven veranderen wel steeds.”

Die vorm, de vragenlijst, sluit ook wel aan bij je eerdere werk. Was dat bewust?

„Nee, daar was ik totaal niet mee bezig, ik was bezig met de kwesties die op het spel stonden. Ik voel me niet per se loyaal aan mijn eerdere werk of verplicht om daarop voort te borduren. Dat gebeurt vanzelf wel. Ik heb maar een paar principes: open staan voor de wereld, politiek alert blijven, en… een soort vat zijn?”

Een soort vat?

„Het is de taak van een schrijver – als die al bestaat, ehm… ja, natuurlijk bestaat die, er zitten plichten en verantwoordelijkheden aan het schrijverschap – om een soort vat te zijn. Om iemand te zijn die in staat is de cruciale zaken te absorberen en tegelijkertijd de ruis weg te filteren, de noise. En dan alles weer in elkaar te zetten op een manier die het hart en hoofd van iemand anders bereikt. En dan zo dat je niet méér ruis genereert, maar juist ruimte geeft aan helderheid en stilte en reflectie. Ik denk dat ik één taak heb, en dat is mijn hoofd in een staat van helderheid te houden, zodat ik een vat kan zijn.”

Je beschrijft dat een boek nooit begint met ‘inspiratie’, maar ‘met een combinatie van woede en helderheid’. Die woede kan ik me voorstellen, maar wat is die helderheid precies?

„Het is het streven om helderheid te bereiken. Geen antwoorden of conclusies, maar helderheid in de vragen die ik stel. Helderheid, niet zekerheid. Ik denk niet dat ik al veel helderheid had toen ik begon te schrijven.”

Luiselli werkte op dat moment als leraar in Hempstead, een dorp ten oosten van New York – „veel armoede, laagconjunctuur”. Ze gaf Spaanse conversatieles, aan Hofstra University (vernoemd naar de Nederlands-Amerikaanse oprichter), en kon zelf bepalen waarover ze converseerde. En vertelde dus over haar tolkwerk. „Daar bij mijn studenten voelde ik een moment van elan. Tegenover mij stond ineens iets dat kon uitgroeien tot iets groters. Niet alles rondom deze crisis was een neerwaartse spiraal, er waren uitwegen.” De studenten hadden een lezing aangehoord over politiek activisme, over dat je daarvoor ‘emotioneel kapitaal – de woede, het verdriet en de frustratie die opgeroepen worden onder bepaalde sociale omstandigheden – moet transformeren in politiek kapitaal’, zo beschrijft Luiselli. Nu wilden ze een organisatie oprichten.

Toen móest Luiselli er ook over schrijven. „Ik was begonnen aan een roman”, Lost Children Archives, dat volgend jaar verschijnt, „en ik bereikte een punt waarop ik niet verder kon. De roman gaat over dezelfde onderwerpen, maar ik wilde de roman liever niet gebruiken als vat voor een politieke boodschap. Mijn woede kwam het schrijven van fictie niet ten goede.”

Interessant. Ik zie je als een schrijver die niet veel geeft om de grenzen tussen essayistiek en fictie, maar je vindt dus ook dat politiek niet in fictie past?

„Nu versimpel je het een beetje, want natuurlijk past dat. Maar het verkondigen van een politieke boodschap of iets onderwijzen over een politieke situatie – dat is voor een fictieve stem geen goede positie. Ik denk dat daar veel intellectuele arrogantie en ijdelheid in kan sluipen, dat wordt een rotzooi. Dan versimpel je fictie tot een pamflet. Dan wordt het een moralistische allegorie.”

Dus je moest met dit essay je boosheid uit de weg ruimen, om verder te kunnen met fictie?

„Niet uit de weg ruimen. Er zit in de roman ook veel woede. Maar een roman was niet de goede ruimte om deze specifieke historische omstandigheid, de crisis met de Midden-Amerikaanse kinderen, aan de kaak te stellen. Met dit essay kon ik recht doen aan een heel concreet probleem in de werkelijkheid. De roman kon dan een plaats worden waarin ik de achterlating van de kindertijd kon onderzoeken, de eenzaamheid, de notie van verloren kinderen die weer een plek proberen te vinden. Dat kon ik met meer vrijheid in de roman verwerken toen ik het essay had geschreven.

„Het is een beetje zoals met de oude narco-romans, over de drugsoorlogen in Mexico: uit literair oogpunt zijn die slecht, ze zijn noise. Latere boeken zijn beter, en daardoor zie je dat zoiets moet groeien. Er zitten vast nog een boel immigratieverhalen aan te komen, met de Syrische crisis, de Midden-Amerikaanse crisis, en een groot deel ervan zal noise zijn. Maar dat is belangrijke noise. Zoals je een gesprek ook moet opbouwen, duurt het even voor je tot begrip komt. Pas als we als maatschappij een discours hebben ontwikkeld dat verfijnd genoeg is, waar genoeg hoofden zich over gebogen hebben en met elkaar in gesprek zijn gegaan, kunnen we het echt aan de kaak stellen.”