Recensie

Helemaal zonder snobisme gaat het bij González niet

Een ellips is een ovalen figuur waarvan voor ieder punt de som van de afstanden tot de beide brandpunten gelijk is. In de retoriek is ze een uitlating waaruit iets weggelaten is dat door de lezer of toehoorder gemakkelijk kan worden ingevuld. De lege ruimte wordt dankzij de ovaal die hen bijeenhoudt bijna automatisch overbrugd. De korte roman Duivelspaardjes van de Colombiaanse schrijver Tomás González (1950) kun je lezen als een studie in de ellips. Dat gaat ongeveer zo: de hoofdpersoon wordt voor een dringende boodschap aan de telefoon geroepen. ‘Ja, ik geef hem’, zegt zijn vrouw. Dan springt het verhaal vooruit: ‘En daarna, op de wake, zijn moeder, die er schijnbaar niet bij kon hoe Emiliano om het leven gekomen was.’ Dat Emiliano de broer is van de hoofdpersoon wisten we al. Dat hij vermoord is en dat het telefoontje dat zich tussen die twee zinnen ontrolt dáarover ging, begrijpen we nu.

Vorig jaar verscheen de eerste roman van González, Eerst was er de zee, in een Nederlandse vertaling, ruim dertig jaar na de oorspronkelijke publicatie. González beschreef er het treurige lot in van een zekere ‘J’, die een boerderij koopt in een afgelegen deel van Colombia. Daar gaat het dankzij onaangepastheid en drankmisbruik steeds slechter met hem en wordt hij tenslotte om het leven gebracht. González had dat verhaal niet verzonnen. In 1977 werd zijn eigen broer Juan onder precies dezelfde omstandigheden vermoord.

In het nu vertaalde Duivelspaardjes, oorspronkelijk uit 2003, herzien in 2012, komt ‘J’ opnieuw voor, maar de hoofdpersoon ervan is diens naamloze broer in wie we zonder veel moeite González zelf herkennen. Ook deze vestigt zich op een finca, veel dichter bij de bewoonde wereld, maar heel voorspoedig loopt het ook met hem niet af. Terwijl om hem heen de samenleving steeds gewelddadiger wordt, sluit hij zich, samen met zijn kunstzinnige maar nogal wereldvreemde vrouw, steeds verder daarvan af. Alleen dat de échte González zich in die jaren ontwikkelt tot een toonaangevend schrijver, blijft onvermeld.

Met enige overdrijving kun je zeggen dat beide romans hetzelfde verhaal vertellen, maar de wijze waarop is nogal verschillend. Ook González’ debuut is fragmentarisch en impressionistisch van opzet, maar in Duivelspaardjes zijn de flitsen zo kort (87 hoofdstukken voor 160 bladzijden) en is het vertelde zozeer tot op het bot afgekloven dat het verhaal zich voor een groot deel in het hoofd van de lezer zelf moet vormen.

Vandaar het elliptische als instrument voor het bereiken van een literair effect. Daarmee heeft González misschien wel íets te nadrukkelijk ‘literatuur’ willen schrijven. Eerst trekt de vorm de aandacht naar zich toe en dan pas het verhaal zelf: je ziet het pas ‘wanneer je het doorhebt’. Dan sluiten schrijver en lezer een verbond – tot geluk van de tweede, die in de smiezen gekregen heeft wat de eerste wil. Helemaal zonder snobisme gaat dat niet; daarvoor liggen de artistieke aspiraties van González er iets te dik bovenop. Maar intussen heb je wel alles geleerd van de literaire ellips.