Eerherstel voor de vergeten kunst van Anton Heyboer

Anton Heyboer is een omstreden kunstenaar in de museumwereld. Het Haags Gemeentemuseum wil daar verandering in brengen. „Je kunt hem vergelijken met Joseph Beuys.”

Anton Heyboer, Is Den Ilp, 1973 Anton Heyboer, Gemeentemuseum

We herinneren ons Anton Heyboer (1924-2005) als een parodie op een kunstenaar. Een malle figuur, verdwaald in zijn eigen universum. Een kluizenaar met een harem van vijf vrouwen, die in een paar minuten een nieuwe ‘schilderij’ in elkaar flanste. Heel geschikt voor paradijsvogelprogramma’s op tv, die het beeld bevestigden dat veel kijkers toch al van de beroepsgroep hadden: knetter, en rijk geworden met wat hun kind van vier ook kan.

Met het op 26 augustus te openen overzicht van etsen en schilderijen uit zijn ‘beste periode’ brengt het Gemeentemuseum in herinnering dat Heyboer ook een gevierd kunstenaar was, exposerend van New York tot Tokio, en driemaal op de Documenta in Kassel. Die periode loopt tot halverwege de jaren zeventig, toen De drie bruiden van Anton Heyboer van societykoning Henk van der Meijden verscheen, waarmee Heyboer een nieuw publiek kreeg en voor de kunstwereld had afgedaan.

Collega’s uit de museumwereld halen hun wenkbrauwen op bij de naam Heyboer, zegt conservator Doede Hardeman, die de tentoonstelling samenstelde. Zijn massaproductie van geschilderde kippen en bootjes, die Heyboer en zijn vrouwen inkomsten opleverden maar waar niemand in artistiek opzicht een cent voor gaf, Heyboer zelf het minst, hing min of meer samen met zijn optredens in de schijnwerpers van de sensatie.

Vergeten is de kunstenaar die in 1975 in het Los Angeles County Museum of Modern Art werd getoond als een van de belangrijkste Europese schilders van dat moment, met beroemdheden als David Hockney en Lucian Freud. En bijna vergeten is de kompasloze kapitein van het dwazenschip van later jaren. Het grootste werk op de expositie heet ‘Het goede moment’ – de hoop is dat het dat inderdaad is voor het ‘eerherstel’ dat het museum beoogt.

Zeven jaar geleden ontdekte Hardeman in het depot van het Gemeentemuseum een doos met oude foto’s, met een jarenzeventigdatum en gelabeld ‘Heyboer’. Het bleken duistere beelden van Heyboers leven in Den Ilp, een dorpje in het natte Waterland boven Amsterdam: een bijna spookachtige chaos van uit pallets, gaas en golfplaat opgetrokken bouwsels, stenen en schots-en-scheve palen, alsof er een storm overheen is geraasd. Uit in de modder vastgereden auto’s steken de verbaasde koppen van geiten en kippen, als op een soort psychotische kinderboerderij.

Anima, 1977
Gemeentemuseum
Zonder Titel, 1976
Gemeentemuseum
Zonder Titel en Anima.
Courtesy Willem Baars Projects.

Behalve foto’s toont het museum schilderijen, tekeningen en etsen (afdrukken van in zink gekerfde, met zuur uitgebeten voorstellingen), of een combinatie van de drie. Het is het van Heyboer bekende werk: in een waas van inktresten getrokken lijnen, vlakken en vakjes, waarin mummieachtige menspoppetjes figureren. Op de meeste komt Heyboers ‘teken’ terug, zijn ‘systeem’ van elf genummerde, onderling verbonden punten, met een soort prehistorische wiskunde ontwikkeld ter verklaring van zichzelf en de rest van de kosmos.

Stelt het wat voor, die krassen en lijnen, dat systeem? Hans Locher, oud-directeur van het Gemeentemuseum, dacht van wel. In 1966 ging hij naar Heyboers zelfgetimmerde schu-rencomplex in Den Ilp, en raakte diep onder de indruk. „De overgang van buiten naar binnen gaf me steeds weer een speciale sensatie,” schreef hij. „Het was alsof ik in een verweg gelegen vreemde cultuur kwam. Het duurde enige tijd voor ik dat verwerkt had en gewend was aan het duister en de stilte.”

Van Heyboers etsen kwam een intense gloed af, schreef Locher. Er ging „een ongewoon dwingende werking” van uit, door een „merkwaardig telkens terugkeren van dezelfde patronen en motieven: gekruiste lijnen, cijfers en kale gestileerde figuren in slechts een paar branderige kleuren, meestal aangevuld met flarden van teksten”. De terugkerende elementen suggereerden „een taal waarmee bepaalde mededelingen gedaan werden”.

Het is mogelijk die taal tot op zekere hoogte te verstaan, zegt Hardeman. Voorbij die hoogte kom je in een gebied waarin beeldende kunst en poëzie elkaar raken, zegt museum-directeur Benno Tempel. Hier kun je hoogstens intuïtief begrijpen, en blijft de omschrijving altijd op het puntje van je tong liggen. Heyboer zelf schreef in 1954 een systeemuitleg, waarin je geen drie zinnen kunt lezen zonder het spoor bijster te raken.

Adem inhouden

Op de tentoonstelling zijn enkele houtskooltekeningen uit de vroege jaren vijftig te zien, gemaakt in de korte tijd dat Heyboer zijn adem kon inhouden. Sommige van de bladen uit latere jaren zijn bijna leeg, met een enkele lijn of veeg, of een uit een ets gesneden fragment er opgeplakt. Het werk uit de getoonde periode is tegelijk naoorlogs en tijdloos, in die zin dat je het hele proces van kerven, inkten, inbijten en afslaan ‘tot roerloosheid gestold’ ziet in de afdruk, zoals Locher opmerkte.

Het zou mooi zijn om Heyboer een plek in de naoorlogse kunstcanon te geven, maar het is lastig om te bepalen welke plek dat dan zou moeten zijn. De enige overeenkomst met het abstract expressionisme, met Cobra, Pop art of Minimal art is dat Heyboer in dezelfde periode actief was. Veel autonomer dan Heyboer krijg je het niet. Je kunt niet eens zeggen of hij nou figuratief werkte of abstract. Allebei, en geen van beide.

Excist in Kunti, 1973. Anton Heyboer, Gemeentemuseum

Volgens het Gemeentemuseum zou je hem kunnen vergelijken met Joseph Beuys, Heyboers eveneens lastig te rubriceren collega en tijdgenoot. Net als Beuys kwam Heyboer in de Tweede Wereldoorlog in een levensbedreigende situatie terecht, in Heyboers geval in een Krankenlager in Berlijn, en net als Beuys overleefde hij doordat hij in isolerend materi-aal werd gewikkeld; Beuys in vilt door Krim-Tataren, Heyboer in kranten door een Poolse of Russische schone. Ook op het gebied van personal branding waren de heren hun tijd vooruit.

Omdat mensen worden herinnerd zoals ze op het laatst waren, is het onderwerp van Heyboers vrouwen onvermijdelijk. Ze wonen nog steeds met z’n vijven in Den Ilp. De band met de vrouwen is prima, zegt Hardeman. Ze zijn niet inhoudelijk bij de tentoonstelling betrokken, wel als bruikleengever. Het museum wil het van Heyboer bestaande beeld niet corrigeren, zegt Tempel. „Die vrouwen en kippen was hij óók. Maar dat is niet wat wij willen vertellen.”

Vervalsingen

Waar de tentoonstelling ook met een boog omheen gaat is de vervalsingskwestie die al ruim twaalf jaar speelt rond Heyboer, en die nog steeds niet naar bevrediging is opgelost. Tussen 2004 en 2012 bracht de grafische kunstenaar Robbert de Bakker 4800 stuks ‘onbekend werk’ van Heyboer naar een galerie in Amsterdam. De rechter nam de conclusie van experts over dat dat ‘hoogstwaarschijnlijk vals’ is. Dat zou je denken, tot je bedenkt wat ‘hoogstwaarschijnlijk’ betekent bij iemand als Heyboer. Het is ook hoogstwaarschijnlijk dat een man niet met vijf vrouwen gaat samenwonen.

Een halve eeuw na het eerste Heyboer-overzicht in het Gemeentemuseum zit Doede Hardeman achter een computerscherm met te tonen Heyboers. „Prachtig”, zegt hij bij een tekening uit 1960. „Waanzinnig”, bij teerschilderijen uit ’74. De tentoonstelling wordt spectaculair. Hardeman is ‘zeer gemotiveerd’ om de wereld Heyboer te laten ontdekken en herontdekken. „Ik ben ervan overtuigd dat het kan. Dit heeft een onwaarschijnlijke potentie.”