Column

Een Haagse stille kracht over zijn 25 jaar als adviseur van de macht

Deze week: Richard van Zwol, 25 jaar stille kracht van Den Haag.

Ofwel: een topambtenaar met een ongeëvenaarde loopbaan vertelt over zijn werk.

Je hebt mensen die zeggen: Richard van Zwol (52) is altijd een goed bewaard geheim gebleven. Wie hem rond het Binnenhof treft, zal niet snel denken: daar heb je een stille kracht van het landsbestuur.

Een heer met een huppelende pas, en ogen die weg kunnen dromen: geen man die Wille zur Macht uitstraalt.

Evengoed maakte hij de afgelopen 25 jaar een ongeëvenaarde Haagse carrière. Als iemand de finesses van het politieke bestuur kent, is hij het wel.

Hij werkte met de laatste vier premiers – en voor vele andere beeldbepalende bewindslieden.

Hij was sinds 2007 de hoogste ambtenaar (secretaris-generaal) op achtereenvolgens de ministeries van Algemene Zaken, Financiën en Binnenlandse Zaken.

Hij zat aan bij onderhandelingen in vier van de laatste acht kabinetsformaties.

Dus nu hij binnenkort vertrekt als topambtenaar – naar de Raad van State – vroeg ik of hij zijn ervaringen één keer openlijk wilde delen. „Ja, leuk”, zei hij, met achteloze opgewektheid.

Al in zijn eerste baan, hij was 24 en had rechten in Tilburg gedaan, zag Richard van Zwol hoe de twee machtigste politici van het land binnenskamers met elkaar omgingen.

Hij werkte vanaf 1989 op de Inspectie Rijksfinanciën (IRF), de invloedrijkste ambtelijke dienst van Den Haag: de ‘ogen en oren’ van Financiën op de andere ministeries.

Van Zwol deed Onderwijs, en het toeval wilde dat toenmalig premier Lubbers „had bedacht dat Onderwijs al zijn vastgoed moest verkopen.”

Het gevolg was dat hij bij zijn minister moest komen, PvdA-leider Wim Kok, een vermaarde dossiervreter. „Je moest hard werken om zijn kennis bij te benen.” Van Zwols antwoorden bevielen Kok, en de latere premier „stelde me aan als zijn tassendrager.”

Hij nam Van Zwol voortaan mee naar onderhandelingen, en in dat kabinet, Lubbers III (1989-1994), draaide alles om de as Lubbers-Kok. „Ik heb uren in het Torentje toegekeken hoe hij en Lubbers zaken deden.”

Op zich lag Van Zwol niet voor de hand als Koks secondant: hij is CDA’er, en was destijds bestuurder van het CDJA. Maar het „christelijk-sociaal denken” werd hem thuis, een middenklassegezin in Den Bosch, „met de paplepel ingegoten”.

Nog steeds vindt hij, zei hij, „dat we als CDA niet getrouwd zijn met de VVD.” Ik merkte op dat hij dan vast ook wist dat belangrijke stemmen in het CDA (onder wie oud-premier Lubbers en oud-Kamerlid Schinkelshoek) vóór de verkiezingen vergeefs bij partijleider Buma bepleitten dat hij moest streven naar een kabinet zonder de VVD.

„Ja, die dingen krijg ik mee”, zei hij zacht.

Kok was ook de man die Van Zwol voor het eerst een rol in een formatie gaf. In 1994, Kok werkte als formateur aan Paars I, had hij tijdens het schrijven van een concept-regeerakkoord een ambtenaar nodig die met Excel kon werken. „Ik was de enige.”

Later was hij, als ambtenaar op Algemene Zaken, formatiesecretaris van de kabinetten-Balkenende II, III en IV.

Zo’n secretaris woont alle onderhandelingen bij en bewaakt „de logistieke orde”, zei hij. Afspraken maken, zorgen dat informatie uit ministeries doorkomt: tempo houden.

Als onderhandelingen op stoom zijn, werken formatiesecretarissen zich uit de naad. In de avonduren, wanneer de politici de deur uit zijn, zetten zij de compromissen van de dag op papier. Ook schrijven ze soms tekstvoorstellen. „Je leeft op een paar uur slaap per dag.”

Een onderschatte factor in formatie-onderhandelingen, zei hij, is het kennisverschil. „Je behandelt thema’s waarvan sommige onderhandelaars heel veel weten, en anderen heel weinig.”

Dus gesprekken kabbelen vaak. „De echte politiek zit in héél kleine momenten.”

Hij zag geregeld dat politici het niet eens door hadden. „Als secretaris weet je soms beter dan de onderhandelaars wat de echt gevoelige beslissingen zijn.”

Hij werkte met één formateur en zes informateurs. Rein Jan Hoekstra, een van zijn voorgangers als secretaris-generaal van Algemene Zaken, en informateur in 2003 en 2006, vond hij de beste.

Een man die in wisselende stijlen kan werken. „Soms sturend, soms afzijdig.” Vooral een meester in „constitutioneel boekhouden”, de eerste fase, die volgens Van Zwol de belangrijkste is: gedetailleerd vastleggen wie (niet) met wie wil. „Als je dat meteen zorgvuldig doet, ken je de afloop.”

De drie ministeries waar hij zijn jaren als ambtenaar doorbracht, hebben elk hun positie in de informele Haagse pikorde. Financiën, aan het Lange Voorhout, is „het briljantste ministerie”, zei Van Zwol.

Je hebt er veel technische discussie en ambtenaren „willen het beste jongetje van de klas zijn.” Een directeur- of secretaris-generaal moet niet denken dat ze hem automatisch serieus nemen. „De houding is: wat wéét die nou helemaal?”

Hij kent de geluiden in zijn partij dat CDA-leider Buma, een jurist zonder natuurlijke affiniteit met gecijfer, minister van Financiën moet worden. Hij raadt het af. „Ik denk niet dat het iets voor hem is.”

Binnenlandse Zaken kijkt vooral naar buiten – naar ‘de democratie’, ‘het bestuur’, ‘de burger’ – en dat „maakt het Haagse gezag van het ministerie niet vanzelfsprekend meer, hoewel gemeenten en provincies ons weer weten te vinden.”

En Algemene Zaken, zei Van Zwol, „moet je zien als huiskamer”. Piepklein. Het draait om het kabinet van de minister-president en de Rijksvoorlichtingsdienst – vijftig man.

„Hoogwaardige kwaliteit, weinig bèta’s”, schetste Van Zwol. „Op AZ gaat het om sociale intelligentie: de Haagse omgeving aanvoelen.”

AZ-ambtenaren „zien heel veel politiek”. Dinsdags lopen de ministers binnen voor zogenoemde onderraden van de ministerraad. „Je bent erbij als ministers met elkaar onderhandelen”, vertelde hij. De gelijkenis met formatiebesprekingen is groot. „Je krijgt gevoel voor de dynamiek in een kabinet.”

De buitenwereld kent topambtenaren vaak grote invloed toe: Van Zwol prijkte geregeld op lijstjes met de machtigste Nederlanders. Handig, zei hij. „Het vergroot je aanzien in je werk.”

Terecht was het maar ten dele. Voor interne beslissingen op een ministerie – benoemingen, reorganisaties – hebben bewindslieden zelden tijd. „Die doe ik.” En hij leverde geregeld hamerstukken voor de ministerraad aan, bij voorbeeld over implementatie van EU-richtlijnen. „Oók invloed.”

Maar de gevoelige zaken zijn voor politici, zei hij. „Je zit erbij, je ziet het – maar dat is alles.”

Van Zwol maakte de laatste vijftien jaar mee hoe politici het maatschappelijk onbehagen bestreden: waarom lukt het niet?

Hij noemde de zwakke dienstverlening van de overheid. Om een voorbeeld te noemen: jonge ouders die de kinderopvangtoeslag telkens bij een andere instantie moeten aanvragen.

Ook noemde hij het integratiebeleid. Onder Rita Verdonk „werd de integratie verordonneerd”. Onder Ella Vogelaar „deden we alles fijn samen”. Onder Rutte II „deden we niets”, zei hij. „Geen enkele aanpak heeft een kans gekregen.”

En hij hoopt ook dat er aandacht komt voor misschien wel het grootste probleem in deze democratie: „Mensen stemmen, maar geven geen enkele richting meer aan de machtsvorming.” Is een stem op de macht en één op de controle ervan de oplossing? „Dat soort ideeën”, zei hij.

Maar vooral wil hij dat we, naar Scandinavisch voorbeeld, gevoelige thema’s als integratie losmaken van de vierjaarlijkse cyclus en „met het parlement voor de lange termijn beleidsafspraken maken, los van het kabinet dat er zit.”

Zo kun je ook, zei hij, de nadelen van de fragmentatie van de Kamer tegengaan: dezelfde fragmentatie die deze formatie zo ingewikkeld en langdradig maakt.

Ik moest het vragen: wist hij hoe lang deze formatiepoging nog zou duren? Hij had afgeleerd voorspellingen te doen, zei hij afgemeten – maar je kreeg niet de indruk dat hij erg optimistisch is.