De vele waarheden over een ‘foute jongen’

Tweede wereldoorlog

Isabel van Boetzelaer praat in Westerbork over haar vader, die ‘fout’ was in de oorlog. Moet kunnen in dit ontmoetingscentrum, vindt de een. Goedpraterij van een dader, vinden anderen.

Hilmar von der Recke, commandant van krijgsgevangenenkamp Stalag XII a, bij het Duitse Limburg an der Lahn, 1943. Hij was de grootvader van Isabel van Boetzelaer. Foto Internationale Rode Kruis

Natuurlijk mag iemand wier vader ‘fout’ was in de oorlog een boek schrijven. Ze mag ook proberen begrip te kweken voor zijn daden. Maar het is iets anders als ze daarbij ongemakkelijke feiten verzwijgt en plezierige feiten opschrijft zonder zich af te vragen of die wel kloppen. Het wordt ronduit problematisch als zo’n boek vervolgens door recensenten, journalisten en deskundigen wordt geprezen als moedig en eerlijk. Dat de schrijfster een tournee maakt langs schoolklassen en wordt uitgenodigd om een lezing te geven in Westerbork.

Schrijfster Chaja Polak en haar broer, cineast Hans Fels, wier familie via Westerbork is gedeporteerd, zitten aan tafel in Polaks huis. Naast theepot en koektrommel ligt het boek Oorlogsouders van Isabel van Boetzelaer dat in maart dit jaar verscheen. Tal van passages zijn onderstreept. „Hij had in het geheel geen hekel aan Joden”, bijvoorbeeld – over de vader van de auteur die tegen het eind van de oorlog als leider van een Haags politiecommando na een tip drie Joden arresteerde en overdroeg aan de Duitsers.

Polak leest een passage voor uit Den Haag in de Tweede Wereldoorlog van historicus Bart van der Boom over deze arrestatie. „‘Zeer verheugd’ bekeek hij [Willem van Boetzelaer] zijn vangst en zei: ‘Een Jood, een Jodin en nog een Jodin, dat hadden jullie niet gedacht, dat we jullie nog zouden krijgen.’”

Van Boetzelaer haalt Van der Booms boek wel aan in Oorlogsouders, maar deze passage niet. Wel schrijft ze: „Willem heeft altijd volgehouden dat hij ervan overtuigd was dat deze Joden sowieso zouden worden opgepakt; deed hij het niet, dan deed een ander het. Hij dacht te weten dat er geen treinen meer naar Duitsland reden, dat Joden vanuit Westerbork niet meer verder vervoerd zouden worden.” En ze sluit af met: „Hoe onbegrijpelijk ook, feit blijft: hij nam deel aan deze actie. Het zou hem, terecht, duur komen te staan.”

Willem van Boetzelaer werd na de bevrijding tot levenslang veroordeeld, waarvan hij tien jaar heeft uitgezeten.

Jubelende ontvangst

Gevraagd naar het ontbreken van dit citaat, zegt Van Boetzelaer dat zij dezelfde getuigenverklaring heeft gelezen als Van der Boom, maar dat de getuige zich later niet meer kon herinneren wie van de aanwezige agenten dit nu had gezegd. „Daarom heb ik het niet opgenomen.”

Het is maar een van de passages in het boek die voor Polak en Fels bewijzen dat Van Boetzelaer „niet eerlijk” is, dat ze „manipuleert”. Polak en Fels hebben daarom een comité opgericht om de „waarheid in Westerbork” te waarborgen en onderzoeken hoe zij stappen kunnen ondernemen tegen het optreden van Van Boetzelaer.

Ze zijn bezorgd over de jubelende ontvangst in de pers. „Idealist in de val van de nazi’s”, kopt De Telegraaf. NRC hield een empathisch interview met Van Boetzelaer. Programmamaker en schrijver van succesvolle oorlogsboeken Ad van Liempt prijst Oorlogsouders op de achterflap aan: „Dit hoge niveau komt zelden voor.”

Met al die veren op haar hoed is Isabel van Boetzelaer uitgenodigd om in september in Westerbork een lezing te geven. Gemma Groot Koerkamp, die de gastsprekers naar Westerbork haalt, heeft gehoord van bezwaren tegen Oorlogsouders, maar er tot dusver geen bewijs voor gezien. En op kritiek dat de lezing plaatsvindt op de locatie van waaruit Joden werden gedeporteerd, zegt ze dat de organisatie onderscheid maakt tussen de historische locatie van het kamp en het museum daarbij. „Op de historische locatie zijn we meer prudent dan in het museum.” Van Boetzelaer spreekt in het museum. Dat ze dat doet als kind van een ‘foute’ vader, is voor Groot Koerkamp geen beletsel. „In de loop der jaren is meer ruimte gekomen voor ook deze verhalen uit de oorlog.” Ze wijst erop dat Westerbork voor, tijdens en na de oorlog fungeerde als kamp voor heel verschillende bewoners: Duitse vluchtelingen, gedeporteerde joden, collaborateurs en Indische Nederlanders. „Vanuit het gastsprekersproject ben ik voorstander van multiperspectiviteit.”

Grijze soep

De welwillendheid is in de ogen van Polak en Fels geen toeval. „Dit past in ons tijdsgewricht. Het is de tijd om in grijstinten te denken. Als slachtoffers en hun nabestaanden protesteren, worden ze in de verdediging gedrongen.”

Daar valt emeritus hoogleraar moderne Joodse geschiedenis, Evelien Gans, hen bij. Ze heeft het woord ‘nivellering’ gemunt. „De verschillen tussen daders, slachtoffers, medeplichtigen en omstanders worden kleiner gemaakt dan ze in de historische context waren. Uiteindelijk drijft iedereen in een terrine grijze soep.”

Ze wijst op de nadruk die Van Boetzelaer legt op het leed van na de oorlog. „Zo worden kinderen van ‘foute’ ouders slachtoffers van de Bevrijding.” Deze nivellering, zegt Gans, valt in Nederland nu in vruchtbare aarde. „Men wil af van die schuld tegenover de Joden. De Duitsers hebben daar een woord voor: Schlussstrichbedürfnis, de behoefte om een streep te zetten onder die eeuwige oorlog.”

Zoals het merendeel van het verzet uit verzetjes bestond, maakten de meeste collaborateurs ‘foutjes’

Ze wijst op „de hype rond Grijs Verleden”. In dit boek uit 2001 pakt Chris van der Heijden mythen over goed en fout in de Tweede Wereldoorlog aan en schrijft bijvoorbeeld: „Zoals het merendeel van het verzet uit verzetjes bestond, maakten de meeste collaborateurs ‘foutjes’.”

Volgens Gans nivelleert ook Bart van der Boom in zijn Wij weten niets van hun lot het verschil tussen omstanders en slachtoffers. „En denk aan de jongen die op 4 mei 2012 het gedicht over zijn oudoom bij de Waffen-SS zou voordragen op de Dam.”

Feit is dat deze voordracht uiteindelijk – mede onder druk van het Auschwitz Comité – is voorkomen. Dat is waarom Johannes Houwink ten Cate, hoogleraar Holocaust- en genocidestudies, zegt „geen reden te hebben om aan te nemen dat Nederland op een kantelpunt staat. Ik denk dat kinderen van NSB’ers hoog of laag kunnen springen om hun ouders te verdedigen, maar dat de algemene afkeuring van hun vrijwillige landverraad daardoor niet afneemt.”

Interneringskamp

Dat is ook de indruk van Ad van Liempt, die in „zo’n vijftig lezingen per jaar” bij zijn publiek nooit iets anders dan afschuw over de daden van collaborateurs hoort. Van Liempt zit in de raad van advies van Westerbork. „Een paar jaar geleden hadden ze een tentoonstelling ingericht over de naoorlogse functie van Westerbork als interneringskamp. Daarbij hadden ze voor een discussie iemand uitgenodigd die er als Jood had gezeten in de bezettingsjaren, tegenover iemand die er na de bevrijding als collaborateur was geïnterneerd. Dat leidde tot veel protesten.”

Volgens hem ziet Westerbork zichzelf als een ontmoetingsruimte, als een debatcentrum. „Daar is dus ook ruimte voor dat andere perspectief. Ik vind dat behoorlijk volwassen, hoor.”

Van Boetzelaer onderstreept dat zij zich „als kind van een foute ouder nooit slachtoffer van de Bevrijding gevoeld” heeft. „Integendeel, ik voel plaatsvervangende schaamte voor het onrecht dat deels door mijn familie is aangedaan aan zoveel onschuldige slachtoffers.”

Van Liempt blijft achter zijn lof voor Oorlogsouders staan. „Boeken over foute ouders zijn vaak vergoelijkend. Dit boek niet zo.” Hij heeft tijdens het ontstaan meegelezen en zegt dat in de eerste versie wel sprake was van vergoelijking. Over het uiteindelijke boek zegt hij: „Ja, ze heeft als kind de neiging haar vader in bescherming te nemen. Maar ze zegt met zoveel woorden dat ze de straf die hij na de oorlog kreeg verdiend vindt.”

Het is pas moedig als je goed uitzoekt wat hij precies fout heeft gedaan

Chaja Polak vindt dat geen aanbeveling: „Het is echt niet meer moedig om hardop te zeggen dat je vader fout was. Het is pas moedig als je goed uitzoekt wat hij precies fout heeft gedaan. Dat heeft Van Boetzelaer aantoonbaar niet gedaan.” Polak verwijt Van Liempt dat hij „zijn werk als historicus niet goed heeft gedaan”.

Dat Van Boetzelaers vader „een foute jongen” is, staat buiten kijf, zegt Van Liempt. „Maar we hebben zo weinig aan die vaststelling. Ik vind dit boek interessant omdat het gaat over het leven van een dader, voor tijdens en na de oorlog. Daar is heel weinig materiaal over. Ik ben meer in daders geïnteresseerd dan in helden en slachtoffers. Dit had iedereen kunnen overkomen – ik weet dat mensen boos worden als ik dat zeg, maar het is daarmee nog geen nivelleren.”

Daar denken Chaja Polak en Hans Fels dan ook anders over. Fels citeert het einde van een documentaire over de secretaresse van Adolf Hitler. Ze vertelt dat ze langs een plaquette loopt waarop Sophie Scholl wordt geëerd. Ze zag dat deze jonge verzetsstrijdster in hetzelfde jaar geboren is als zij, en dat zij werd geëxecuteerd in hetzelfde jaar als waarin de secretaresse voor Hitler begon te werken. „Toen had ze zich gerealiseerd, toen pas, dat jeugd geen excuus is voor onwetendheid.”