Onderwijs

Hoger loon verbetert het imago van de leraar

Als de economie aantrekt, groeit overal het lerarentekort. Geen wonder, de leraar verdient minder dan andere hoogopgeleiden.

Lerarentekorten zijn niet uniek Nederlands. Veel rijke landen hebben er last van. Vrijwel overal in het Westen heeft het leraarschap status verloren. En zijn er ook tekorten. Voorheen was de leraar een van de weinige hoogopgeleiden. Een leerling met academische ambities kon in diens spoor volgen. Het was de emancipatieweg uit een lager opgeleid milieu.

Nu in de hoogontwikkelde economie zijn de kantoren gevuld met hoogopgeleiden -ruim een derde van de Nederlanders. Ze komen gemakkelijker aan het werk dan laag en middelbaar opgeleiden. Zodra de economie aantrekt, worden de alternatieven voor het leraarschap nog aantrekkelijker. Hoe beter het economisch gaat, hoe moeilijker het is om aan leraren te komen. Een imagocampagne, zoals de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen deze week in een advies over academisch gevormde leraren heeft aanbevolen, zal het tekort niet oplossen, een hoger loon wel.

Volgens de club van geïndustrialiseerde landen, Oeso, verdienen Nederlandse basisschoolleraren redelijk, vergeleken bij andere ontwikkelde landen. Maar het loonpeil van Nederland is hoog en onderwijzers krijgen slechts 68 procent van het gemiddelde dat met een diploma hoger onderwijs valt te verdienen. In het buitenland is die verhouding gunstiger. Gemiddeld verdienen onderwijzers in ontwikkelde landen 81 procent van wat vergelijkbare hoogopgeleiden krijgen. Bij kleuterleidsters is dat 74 procent. Het is dus niet gek om de lonen van basisschoolleraren te verhogen, zeker nu er strengere toelatingseisen worden gesteld voor de onderwijzersopleiding, de Pabo. Leraren die kunnen spellen en rekenen, moeten daar ook naar worden betaald. Misschien dat het ook parttimers zal verleiden om fulltime te gaan werken. Die krijgen dan wel minder toeslagen en moeten meer lasten betalen.

Voor leraren aan het voortgezet onderwijs liggen de verhoudingen gunstiger. Eerstegraads en tweedegraads leraren krijgen 85 procent van wat een gemiddelde hoogopgeleide werknemer verdient. Voor bètavakken is dat niet genoeg, want daar blijft het tekort hardnekkig. Maar het verhogen van het loon van eerstegraads leraren, leidt tot jaloezie in de lerarenkamer. Er is nu al veel tegenwerking tegen een hoger salaris voor eerstegraads leraren. De krimp van het aantal academisch gevormde leraren betekent dat voor de hoogste klassen van het VWO steeds vaker leraren staan die zelf nooit VWO hebben gevolgd.

In het veelgeroemde Finland verdienen tweedegraads leraren bijna het zelfde als andere hoogopgeleiden. Eerstegraads leraren verdienen veel meer. Ook in België verdient de eerstegraadsleraar bovengemiddeld. Al die bewindslieden en beleidsmakers die op bedevaart naar Finland gingen, hebben dat onderdeel snel vergeten. Ook in Vlaanderen geeft een hoger loon voor leraren goede onderwijsresultaten. Jammer dat deze feiten niet in het KNAW-advies over academisch gevormde leraren zijn meegenomen. Er zijn veel factoren die het leraarschap kunnen veraangenamen. Maar een hoger loon verbetert het imago.

Blogger

Maarten Huygen

Maarten Huygen is redacteur onderwijs. Hiervoor was hij onder andere chef opinie, commentator en verslaggever voor NRC. Hij woonde 11 jaar in Washington, in de vroege jaren tachtig voor omroepen en bladen, in de vroege jaren negentig voor NRC.